In de martelkamer van de wetenschap

In een serie recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen onopgemerkt bleven deze week aandacht voor `Depassievrucht' van Karel Glastra van Loon (L.J. Veen, 239 blz. ƒ34,90).

In het Huis van het Weten zijn heel veel kamers, zegt een vader tegen zijn zoontje. Je hebt de voorkamer van de Feitelijke Kennis, waarin je alles vindt wat je nu weet. Daarachter is de kamer van het Mogelijke, met alle dingen die je nog te weten kunt komen. Op de rommelzolder van de Kennis liggen grappige en onbruikbare weetjes, zoals `de Theorie van de Platte Aarde en de Tien Gulden Regels voor Burgermeisjes.' En dan is er nog een piepklein vertrek zonder ramen, verlicht door een kale gloeilamp: `de kamer van de dingen die je beter niet had kunnen weten. Ik noem hem de Martelkamer.'

Geen enkele lezer van de eerste roman van Karel Glastra van Loon hoeft er na deze nadrukkelijk in hoofdstuk 2 verwerkte woorden aan te twijfelen: in De passievrucht zal de hoofdpersoon de Martelkamer binnengaan. En zo geschiedt. Door een routine-onderzoek in het ziekenhuis ontdekt Armin Minderhout dat hij vanaf zijn geboorte onvruchtbaar is geweest. Dat is erg voor zijn vriendin Ellen, die dolgraag kinderen van hem wil, maar veel schokkender voor hemzelf, aangezien hij al dertien jaar lang vader meent te zijn van een kind uit een vorige relatie. Zijn grote liefde Monika, die tien jaar eerder stierf aan hersenvliesontsteking, is hem dus op zijn minst één keer ontrouw geweest.

In een originele variatie op het aloude Vatersuchermotiv, waarvan de Westerse literatuur doordrongen is sinds Telemachus naar Pylos reisde om Odysseus te vinden, gaat Armin op zoek naar de natuurlijke vader van zijn zoon. Zijn queeste brengt hem via de arts die Bo op de wereld zette naar enkele ex-vriendjes van Monika, aan wie hij liever niet herinnerd had willen worden. Maar hoewel hij lange tijd op dode en valse sporen zit, is het allemaal niet voor niets. Armin rakelt het verleden op en breekt zichzelf tot op de laatste steen af. Als hij aan het eind van het boek het raadsel bij toeval heeft opgelost, is hij een beter mens, een betere geliefde en zelfs een betere vader.

`Het leven is een eindeloze aaneenschakeling van verbouwingen', luidt het slot van hoofdstuk 24 van De passievrucht. Het is maar een van de vele wijze en quasi-wijze zinnen waarin de hoofdpersoon grossiert. Armin, die werkt als corrector bij een wetenschappelijke uitgeverij, is een man die zich vastklampt aan kennis, iemand die grote woorden en brede verbanden nodig heeft om de wereld te begrijpen. Tegenslag wordt bij hem: `Het lot is wreder dan een kampbeul'; seks na een begrafenis is `een gecompliceerde vorm van sadomasochisme'; en liefde stelt de mens in staat `om juist meer zichzelf te worden door in een ander op te gaan.' Je zou Armin willen toeschreeuwen om eens een stap buiten de deur van het Huis van het Weten te zetten.

De overdaad aan kwartjesfilosofie is een van de dingen in De passievrucht die zouden kunnen vervelen, net als het mulischiaanse aplomb waarmee natuurwetenschappelijke betogen en theorieën door de roman gevlochten zijn. (Wie het boek uit heeft, weet flink wat van ethologie en biologie, van genetische drijfveren, spermaoorlogen en ontkrachtingen van de evolutietheorie.) Maar vanzelfsprekend mogen we de euvelen van literaire personages niet verhalen op hun geestelijke vaders; Armin is een vreemde snijboon, maar allesbehalve ongeloofwaardig. Net als zijn vroegwijze zoon, zijn leugenachtige vriendin en zijn overspelige dode geliefde heeft hij iets sympathieks – zodat het je als lezer echt kan schelen wat hem overkomt.

Journalist en televisiemaker Karel Glastra van Loon, die eerder met zijn verhalendebuut Vannacht is de wereld gek geworden (1997) werd genomineerd voor de ECI-prijs voor schrijvers van nu, is goed in het weergeven van scènes uit het dagelijkse leven: een pijnlijk bezoek aan twee verschrikkelijke schoonouders, een stukje slapstick in een dokterskamer, een mislukte expeditie van vader en zoon naar een Waddeneiland. Daarbij heeft hij een goede hand van dialoogschrijven en wisselt hij de gedragen citatenboekwijsheden van zijn hoofdpersoon af met mooi geformuleerde metaforen. `Mijn geheugen is als het werk van een drankzuchtige archivaris', constateert Armin, `het vertoont gaten en verdichtingen, de kaartenbakken zijn omgevallen, de fiches in haast weer bijeengeraapt.' En als hij willens nillens de vrouw van een rivaal het hof maakt: `Ik overhandig haar het kistje met de wijn en denk: dit is een B-film. En B-films lopen wel altijd goed af, maar zelf haal ik zelden het einde.'

De passievrucht – een boek dat een minder woordspelige titel verdiend had – heeft een moraal die al zo oud is als Socrates. Armin achterhaalt de identiteit van Bo's vader, maar heeft zich daarvoor al gerealiseerd dat hij, met al zijn kennis, eigenlijk niets weet. Ken uzelf, is zijn drijfveer; ken uw ex-vrouw, uw vriendin, uw zoon en uw vader. Toch zou dat alleen niet genoeg zijn geweest voor een roman die dwingt tot doorlezen. Daarvoor zorgt Glastra van Loons knappe plot, die handig gebruik maakt van beproefde romantische elementen als het Verborgen Verraad, het Argeloze Kind en de Mysterieuze Geliefde. De passievrucht kwam onlangs terecht op de longlist van de Generale Bank Literatuurprijs; het moet raar lopen als Glastra van Loon begin oktober niet een van de zes nominaties in de wacht sleept.