Grieken vrezen tweede Kosovo in eigen land

In Griekenland is een polemiek losgebarsten over de vraag of de islamitische minderheid in Thracië zich `Turks' mag noemen. Sommigen hebben hier geen moeite mee, maar anderen vrezen een tweede `Kosovo' op Griekse bodem.

`Bravo Jorgos', kopte Turkijes grootste krant Hürriyet dezer dagen over haar hele voorpagina.

Het was een betoon van lof voor de Griekse minister van buitenlandse zaken Jorgos Papandreou, maar in Griekenland zelf verwekte het de grootst denkbare argwaan. Wil een Grieks staatsman in een fel nationalistische Turkse krant worden geprezen, dan moet hij wel iets heel ergs hebben miszegd.

Wat had de Griekse minister gedaan? In een vraaggesprek met het Atheense maandblad Klik had hij geponeerd dat leden van de islamitische minderheid in het Griekse West-Thracië, die circa 120.000 bedraagt, zich wat hem betreft `Turks' mogen noemen, zolang er geen gevaar bestaat op verandering van grenzen. En dit gevaar bestaat niet, voegde de minister er aan toe.

Daarmee kreeg hij een groot deel van de Griekse politici en de Griekse pers over zich heen. Zelfs binnen zijn eigen socialistische partij Pasok werd om zijn aftreden geroepen, en als niet ook voor de politici de vakantie was aangebroken, had het er slecht voor hem kunnen uitzien, hoewel premier Simitis – inmiddels ook naar een eiland vertrokken – signalen gaf hem te willen dekken.

De secretaris-generaal van de Pasok, Skandalidis, sprak van een ,,hoogst ongelukkige uitlating''. Anderen beperkten zich er toe slechts de timing te betreuren.

Kort tevoren, aan de vooravond van de 25ste verjaardag van het herstel van de Griekse democratie, hadden de drie afgevaardigden die in het 300-koppige parlement de islamitische minderheid vertegenwoordigen – in drie verschillende partijen – te kennen gegeven dat er in Griekenland sprake is van een Turkse en een Macedonische minderheid, en dat het tijd wordt dat Athene de minderhedenconventie laat ratificeren die in 1998 in werking is getreden en reeds door 24 van de 42 lidstaten van de Raad van Europa is bekrachtigd.

Deze conventie behelst onder andere dat nationale minderheden moeten worden erkend als ze zich als zodanig uitroepen, ongeacht het oordeel van de regering van het land waar ze verblijven.

Jorgos Papandreou ziet als minister van buitenlandse zaken aankomen dat Athene dit verdrag vroeg of laat ook moet ratificeren en met zijn vraaggesprek wilde hij kennelijk de publieke opinie hierop voorbereiden. Deze is echter hoogst gevoelig voor het adjectief `Turks' en voor het woord `minderheid', hoewel zij wel uitgaat van de vanzelfsprekendheid van het bestaan van een `Griekse minderheid' in Albanië, die daar zelfs de vlag mag vertonen.

De reden van de gevoeligheid is dat in het Verdrag van Lausanne (1923) waarin de bevolkingsuitwisseling en de minderhedenkwestie tussen Griekenland en Turkije werden geregeld, wél sprake was van een `Griekse minderheid' die in Istanbul mocht blijven – intussen na de pogrom van 1955 tot op een minimum teruggelopen – maar niet van een `Turkse minderheid' in Grieks-Thracië. Deze heette in het verdrag `islamitisch'. Zij heeft zich sinds 1923 op haar oude aantal weten te handhaven.

Iets meer dan de helft van deze minderheid is weliswaar van Turkse komaf, maar de rest wordt gevormd door Bulgaars sprekende Pomaken en door zigeuners.

Het officiële Griekse standpunt is sinds de regeringsjaren van Jorgos' vader Andreas Papandreou (1981-'89) dat de minderheid zich absoluut niet `Turks' mag noemen en dat ook namen als `Turkse onderwijzersvereniging' onwettig zijn. De nieuwe Conventie dreigt deze onwettigheid op losse schroeven te zetten.

De Griekse gevoeligheid wordt in de hand gewerkt doordat Ankara een felle campagne voert ten gunste van de `onderdrukte Turkse minderheid' in haar geheel, waarbij ook het Turkse consulaat in de Thracische stad Komotiní – een product van Lausanne – is ingeschakeld. Neutrale waarnemers constateren dat de behandeling van de minderheid de laatste jaren sterk is verbeterd, maar er blijven haken en ogen.

Het officiële Griekse standpunt van nu wordt sterk ondermijnd – en Jorgos Papandreou herinnerde daaraan, ook in zijn interview – door het feit dat de islamitische minderheid in de jaren vijftig en zestig juist wél `Turks' moest worden genoemd, op last van de regeringen van achtereenvolgens Papágos, Karamanlis en de kolonels. Dit was een uitvloeisel van de Koude Oorlog, en hield verband met de vrees dat het communistische Bulgarije de regio zou gaan claimen op grond van de aanwezigheid van de Pomaken, die een Bulgaars dialect spraken.

Tot huidige woede van de Griekse nationalisten heeft men in die jaren de Pomaken hun taal `afgeleerd' en de taal van NAVO-bondgenoot Turkije ingevoerd. Het gevolg is dat nu alle leden van de islamitische minderheid, ook de zigeuners, Turks spreken. Pogingen, het Pomaaks weer in te voeren – op kosten van de legerleiding ontstond een woordenboek – lijken tot mislukking te zijn gedoemd.

Het debat over de Turken in Thracië zal na de vakantie waarschijnlijk wel weer oplaaien, omdat onder Papandreou's talloze vijanden de vrees heerst dat West-Thracië ooit nog eens een tweede Kosovo wordt. Met andere woorden: dat `het boze Westen' zich door Turkije zal laten overtuigen dat ook hier een islamitische minderheid – die vanwege de grote families in de volgende eeuw een meerderheid kan worden – wordt `onderdrukt'. De verschillen zijn vooralsnog nog groter dan de overeenkomsten, maar ontegenzeggelijk zijn er ook in Turkije groeperingen die met een dergelijk scenario spelen.