Een stadspaleisje

Constantijn Huygens was zo'n veelzijdig man en over zo'n lange periode (hij leefde van 1596 tot 1687) dat er nooit een alomvattende biografie van hem is verschenen. Zijn brieven, autobiografie en gedichten zijn uitgegeven en er bestaan talloze studies over zijn letterkundige werken. Dat hij ook een grote kennis bezat van schilder-, teken- en bouwkunst, dat hij wetenschappelijke belangstelling had en een niet onaanzienlijke verzameling kunst en naturalia had opgebouwd, is minder bekend. Over Huygens' architectonische belangstelling en zijn praktische activiteiten op dit gebied is nu een erg aardig boek verschenen, geheel gewijd aan de tekst die hij in 1639 schreef over de bouw van zijn huis aan het Plein in Den Haag. Dit classicistische gebouw verrees in de jaren dertig van de zeventiende eeuw. Huygens' nooit voltooide Latijnse tekst kreeg de titel Domus en was niet bedoeld voor publicatie: het was een verantwoording van de keuze van plaats en ontwerp, een verdediging van de classicistische bouwprincipes, gericht aan zijn drie zonen. Overigens waren die op dat moment nog te jong om de portee van deze met klassieke citaten doorspekte tekst te doorgronden.

Domus is nu voor het eerst integraal gepubliceerd en vertaald. De drie auteurs behandelen de tekst vanuit hun specialisaties; de literair-filologische hoek, het stedebouwkundig opzicht en de architectuurtheorie. Zo krijgt de lezer een goed inzicht in de tekst en in de ontstaansgeschiedenis van het huis.

Constantijn Huygens was in 1625 secretaris geworden van stadhouder Frederik Hendrik. In deze jaren werd het gebied tussen het Binnenhof, de Houtstraat, de Lange en de Korte Vijverberg grondig herzien. Er kwam een herverkaveling tot stand en een nieuw bestemmingsplan. Hoe dit precies verliep met allerlei machinaties door Frederik Hendrik, die daar land bezat, is met behulp van archiefstukken en kaarten grondig uitgezocht. Het komt erop neer, dat tuinen, boomgaarden, bomen met complete reigerkolonies, sloten en stukken drassig land omgetoverd werden tot een geheel waarvan de korte Vijverberg en het Plein de voornaamste kenmerken zijn gebleven. Een kavel kwam in handen van Johan Maurits van Nassau die er zijn paleisje liet bouwen, een ander kavel, een stuk verder naar de Lange Poten toe, werd door Frederik Hendrik geschonken aan Huygens. En zo verrezen er tussen 1630 en 1640 twee uitzonderlijke gebouwen in de voor Nederland nieuwe classicistische stijl, geïnspireerd, door de teksten en illustraties van architectuurboeken, zowel van Vitruvius als van Italiaanse bouwmeesters als Palladio, Scamozzi en Vignola. Huygens had bovendien het soort gebouwen dat daarin beschreven en geanalyseerd werd, bekeken op zijn reizen in Engeland en Italië.

Tijdens de bouw woonde het gezin Huygens in de Houtstraat. Huygens beschrijft in Domus uitgebreid zijn architectonische overwegingen; uit andere bronnen blijkt ook dat hij moet hebben overlegd met de bouwmeester Jacob van Campen. Een huis dat je niet zelf gebouwd hebt, schrijft Huygens, blijft toch altijd een beetje om je heen hangen, als tweedehands kleren. Een zelfontworpen kostuum geniet de voorkeur. Een huis moest volgens de klassieke principes stevig, praktisch en mooi zijn. Huygens geloofde heilig in universele esthetische regels, die bij de bouw gerespecteerd moesten worden. Die betroffen symmetrie en een harmonische geproportioneerde geleding van de bouwelementen. `Dus', schrijft hij `wat er onder het volk ook gekletst werd, men moet niet luisteren naar mensen die beweren dat naar ieders smaak de schoonheid van bouwwerken verschillen en veranderen kan'.

Dankzij de tekst van Domus, aangevuld met fragmenten uit de correspondentie, krijgen we ook nog iets te weten over de praktische kanten van het bouwproces en niet alleen over de handige acties van Huygens om op een koopje aan hout te komen. In de jaren dat het huis werd opgetrokken verbleef Huygens geregeld te velde bij Frederik Hendrik, die in deze periode zijn bijnaam `stedendwinger' verdiende. Het dagelijks toezicht op de bouw berustte daarom bij Huygens vrouw, Suzanne. Dat was voor haar geen pretje. Huygens beschrijft hoe traag en moeizaam het bouwproces verliep. Er bestaat, schrijft hij, nergens een barbaars en onmenselijk volk, `dat tergender het geduld van goede burgers op de proef kan stellen dan onze werklieden: luier dan de slaapziekte en trager dan stroop.' Ze zijn zo langzaam, leugenachtig, onbetrouwbaar en schandalig sloom, `dat iemand zonder afdoende stoïcijnse afweer tegen deze ellende ongeschikt en incapabel mag heten om in deze tijd nog te bouwen'.

Het huis moet uiteindelijk een juweel zijn geworden. Hoe het er van binnen precies heeft uitgezien is helaas niet bekend. Suzanne heeft daar waarschijnlijk veel werk van gemaakt, maar ze heeft er nooit gewoond. Ze stierf in mei 1637, juist in de weken dat het nieuwe huis betrokken werd. Huygens heeft er als weduwnaar vijftig jaar gewoond en was zeer trots op `ce superbe Palais'. Hij liet er prenten naar maken die hij aan zijn vrienden stuurde. In zijn vrije tijd bewoonde hij de buitenplaats Hofwijk, dat hij in 1657 zou bezingen in het gelijknamige gedicht. Hofwijk bestaat nog steeds, zij het ingeklemd tussen snelwegen en nieuwbouw. Het huis aan het Plein werd in 1876 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe ministerie van Justitie.

F.R.E. Blom, H.G. Bruin en K.A. Ottenheym: Domus. Het huis van Constantijn Huygens in Den Haag. Walburg Pers, 119 blz. ƒ29,50