Een overrompelende uitnodiging

Zondag is er een symposium in Amsterdam over de Japanse bezetting van Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar ondermeer Rudy Kousbroeks voormalige Japanse kampcommandant bij is. Rudy Kousbroek legt uit waarom hij daar niet aanwezig zal zijn.

Zojuist in het Zaterdagsbijvoegsel het artikel van Hans van der Lugt gelezen over de Japanse oorlogsveteranen Sadao Oba en Masafumi Aoki (Twijfelen aan de vijand, 31-7-99). Oba, zo lees ik, `is een van de centrale figuren in de tentoonstelling van het NIOD als representant van de Japanse getuigen. Op 7 augustus zal hij in het Rijksmuseum spreken tijdens een symposium bij de officiële opening.'

Ik lees het met meer dan gewone belangstelling, want twee dagen geleden heb ik een brief van hem gekregen, waarin hij zegt dat hij de Japanse vertaling van mijn Oost-Indisch kampsyndroom heeft gelezen en graag met mij over de inhoud zou willen praten. Hij introduceert zichzelf als `a friend of Mr Ikegami Nobuo, who told me an encounter with you last year'. Hij hoopt samen met Ikegami op 5 Augustus in Amsterdam te arriveren 'om deel te nemen aan een symposium en conferentie georganiseerd door het NIOD, waarin hij een lezing zal geven over zijn ervaringen op Java gedurende de 2e Wereldoorlog. De brief besluit met de wat merkwaardige mededeling: `Mr Itsukai Mabuchi and I are joining Mr Ikegami in his visit to you on Monday August 9 when I am looking forward to talking with you.'

Wie Mr Itsukai Mabuchi is weet ik niet, Mr Ikegami daarentegen ken ik. Hij is de voormalige kampcommandant van Si Ringo Ringo, die mij nogal onverwacht benaderde tijdens de presentatie van mijn boek aan de Waseda Universiteit in Tokyo, September vorig jaar. Ook van hem arriveert een brief; er staat in dat hij op uitnodiging van drs Erik Somers en drs Elly Touwen-Bousma van het NIOD naar Amsterdam komt. En hij voegt er aan toe dat ik hem op Maandag 9 Augustus noon time mag verwachten.

Ik ben totaal overrompeld, op die datum ben ik niet thuis, vanaf 1 Augustus ben ik in Frankrijk. Over de tentoonstelling in het Rijksmuseum weet ik alleen wat ik er in de krant over heb gelezen. Noch drs Erik Somers, noch drs Elly Touwen-Bousma, noch iemand anders heeft ooit contact met mij opgenomen.

Ik kan niet ontkennen dat mij dat bevreemdt, maar ik ben er aan gewend geraakt dat alles wat met dit onderwerp te maken heeft zonderling is; hoe meer je je er in verdiept hoe wonderlijker het wordt.

Al om te beginnen die `encounter last year': dat was een tamelijk geruchtmakende gebeurtenis, door Hans van der Lugt, de correspondent in Tokyo, als volgt beschreven: `Ik was je kampcommandant', zei de Japanner, `wil je me slaan?'Als door de bliksem getroffen stond Rudy Kousbroek vandaag in Tokio naast het spreekgestoelte. `Welnee', zei Kousbroek nadat hij over de grootste verbazing heen was. `Echt waar?'zei de Japanner. `Echt waar', zei Kousbroek (NRC Handelsblad 12-9-1998).

Haatbrieven

We zijn nu bijna een jaar verder en ik kan niet zeggen dat ik er sereen aan terugdenk. Na die berichten in de krant heb ik een pakket haatbrieven gekregen als nooit tevoren, terwijl ik dacht op dat gebied wel gepokt en gemazeld te zijn. Niet alleen had ik de hand geschud van een Japanse kampcommandant, maar zelfs, in antwoord op de vraag `of die man niet berecht had moeten worden', gezegd dat ik daar geen aanleiding toe zag. Het heeft mij beledigingen en bedreigingen opgeleverd van een kwaadaardigheid die ik niet voor mogelijk had gehouden.

Het gangbare consigne bij zoiets is dat je `er boven' behoort te staan, maar ik vrees dat mij dat niet helemaal is gelukt. Ik voelde me bedreigd en geïsoleerd; wat mij vooral verraste was dat een paar van de meest infame reacties afkomstig waren van oud-kampgenoten, mensen die ik in datzelfde Si Ringo Ringo-kamp als 16-jarige gekend heb en die dus donders goed weten dat die kampcommandant absoluut geen oorlogsmisdadiger was (`Kousbroek schudt de hand van een oorlogsmisdadiger'). Daaruit volgt dat deze laster zonder twijfel bewust en opzettelijk was.

Een onontkoombare vraag is waarom zulke mensen dat doen. Wat beweegt hen er toe? Het antwoord komt voor een deel van henzelf: wat mij in die gifbrieven vooral verweten wordt is dat ik `een boek heb geschreven dat nota bene de Japanners verdedigt!', en nu is dat boek ook nog in het Japans vertaald. Een moeilijkheid daarbij is dat zij niet precies weten wat er in dat boek staat (`dat boek van die Jappenvriend? dat wil ik helemaal niet lezen!'). Hoe ver de irrationaliteit van zulke mensen gaat is vaak onvoorstelbaar; zo hoorde ik dat er in die kringen geprotesteerd is tegen het ontwerp van een postzegel voor de herdenking van 400 jaar Nederland-Japan, omdat er een Japanse vlag op zou komen te staan: `Wij weigeren de Japanse vlag te likken!'. Ook Joop Al, de schrijver van het opmerkelijke boek Ambarawa Bandoengan, heeft daar opmerkelijke verhalen over, zoals ook over de andere en vermoedelijk voornaamste reden tot deze laster: het feit dat sommige ex-geïnterneerden in eigen kring een fictief of erger gemaakt oorlogsverleden hebben opgebouwd, en dan niet terug kunnen wanneer er evidentie aan het licht komt die suggereert dat de werkelijkheid minder ernstig was. Mensen die behoefte hebben aan het brevet van veel geleden te hebben, zo blijkt wel vaker, zijn tot grote gewetenloosheid in staat.

Zo ook hier: als een ex-geïnterneerde uit Si Ringo Ringo zijn omgeving heeft wijsgemaakt dat de Japanse commmandant van dat kamp een sadistische schurk was, moet hij wel reageren wanneer er foto's in de krant verschijnen waarop ik dat monster de hand schud en hem bovendien nog vrijpleit van persoonlijke schuld.

Maar gelukkig zijn er in dit geval nu net wèl concrete bewijzen: kampcommandant Ikegami werd ontslagen uit de Medan-gevangenis waarin hij na de Japanse capitulatie was opgesloten, en vervolgens gerepatrieerd, op voorspraak van een aantal ex-geïnterneerden uit kamp Si Ringo Ringo. Dit gebeurde op initiatief van de voormalige hoofdredacteur van de Sumatra Post, Albert Besnard, die ook in Si Ringo Ringo geïnterneerd was en na de oorlog nog in dienst van NRC Handelsblad is geweest (voor meer details hierover zie mijn artikel van 2.10.98).

Toen ik vanmorgen Joop Al opbelde bleek ook hij onkundig van dat Symposium. Joop Al is een van de weinigen die de moed heeft gehad sommige details aan te vechten van de Indische mythologie die zich over de jaren heeft ontwikkeld. Zo heeft hij geweigerd op een monument van Indische Oorlogsslachtoffers een krans te leggen uit naam van de geïnterneerde jongens waarvan hij er één was en over wie hij dat boek heeft geschreven - en wel om de eenvoudige reden dat geen van hen is omgekomen. Het is verdrietig maar waar dat er over Nederlands-Indië, en vooral over de Japanse bezetting, een mythomane geschiedenis is ontstaan, een lappendeken van weglatingen, verdraaiingen, halve waarheden en hele leugens. Ik vraag mij af hoeveel aandacht daaraan zal worden besteed op dat Symposium waarvoor drs Erik Somers en drs Elly Touwen-Bousma kampcommandant Ikegami helemaal uit Japan hebben laten komen.

Ook ben ik benieuwd of zij de moeite hebben genomen een uitnodiging te sturen aan Luitenant Sisselaar, die aan het eind van de oorlog op Sumatra's Oostkust geparachuteerd werd, en die ik zelf nog uit het niets heb zien verschijnen, kort na de Japanse capitulatie; hij was het die daarna met de Japanse autoriteiten ons transport van Si Ringo Ringo naar Medan heeft geregeld.

Want nu komt het merkwaardige - ik zei al, lezer! dat myn verhaal wonderbaarlyk is - Luitenant Sisselaar kan zich de hele kampcommandant Ikegami niet herinneren. Hij herinnert zich alleen een officier genaamd Omura, en er bestaat ook inderdaad nog een `Certificate' waarop de evacuatie van de geïnterneerden naar Medan wordt bevestigd, ondertekend door deze Omura en door Sisselaar. Dit document is gereproduceerd op blz. 209 van mijn boek Terug naar Negri pan Erkoms; er staat, als ik het goed lees, links onderaan in het Japans: Sumatera Gunsetsuryusho-cho (Chef plaatselijk kantoor militaire sectie Sumatra), ondertekend: Omura Tsuyoshi, gevolgd door zijn zegel.

Het is mogelijk dat Ikegami, als jong luitenantje (hij was 26!), zo weinig indruk op Sisselaar heeft gemaakt dat hij geen herinnering aan hem heeft bewaard. Ikzelf herinner mij hem ook niet - niet van naam en niet van gezicht: toen hij op mij af stoof, daar in Tokyo, nam ik voetstoots aan dat hij was wie hij zei, het tegendeel is niet erg plausibel.

Het spijt mij wel dat ik niet kennis zal kunnen maken met Oba Sadao. Uit de uitspraken die Hans van der Lugt van hem citeert krijg ik de indruk dat hij over de Japanse episode in Nederlands-Indië ongeveer dezelfde opvattingen heeft als ik; zo is ook hij van mening dat de Japanners in Nederlands-Indië wel van alles is te verwijten, maar dat er geen sprake was van planmatige wreedheden, laat staan uitroeiing. En ook dit: `Oba meent dat de oorlog uiteindelijk een einde heeft gemaakt aan het westerse kolonialisme, al was dit niet Japans eerste doel. Dat was simpelweg verovering van rijke natuurlijk hulpbronnen zoals olie in Indië.' Maar het belangrijkste gedeelde standpunt is `dat racisme een onlosmakelijk aspect is van het conflict.' Dat staat ook zo in O.I. kampsyndroom - ook in de Japanse vertaling.