Een eenling die kon schilderen als de pest

Het is verstandig de consumptie van de grote overzichtstentoonstelling van de surrealist Melle (1908-1976) die deze zomer in Museum De Buitenplaats in Eelde te ondergaan is, te beginnen in het filmzaaltje. Bijna een uur lang komen daar een zuster, zijn twee vrouwen, een oude vriend en Melle zelf aan het woord in monologen, die samen met onder meer atelier- en actiebeelden van de schilder de sfeer scheppen waarin de kunstenaar tot zijn bizarre visioenen kwam. Met deze voorkennis valt er meer te zien dan zomaar. Verklaard worden de fantasieën niet, want dat is onmogelijk. Melle zelf wist ook niet goed wat al die honderden wezens en gedrochten, half-mensen en half-dieren, doodskopfiguren en uit mannelijke en vrouwelijke genitaliën samengestelde fantomen te betekenen hadden.

Ze wekten indertijd enige aanstoot waar zelfs museumdirecteur Sandberg zich iets van aantrok. Dat is nu onbegrijpelijk want de beelden prikkelen niet, zijn daar ook niet voor bedoeld. Het waren beslist geen verhalen, zegt Melle zelf ergens, ze hadden wel te maken met een `eeuwig durende baring' en met zijn overtuiging dat slechts de dieren, de natuur en kinderen onverdacht zijn en dat de rest `tuig' is. Ergens anders bekende hij overigens maar `wat te ouwehoeren' als hem werd gevraagd zijn werk te duiden.

,,Jij bent de grote aanklager van deze tijd'', schreef een vriend hem, ,,maar je zou buiten deze verrotting niet kunnen leven.''

Bedoeld werd de verrotting van het kapitalisme want Melle kwam uit een socialistisch/anarchistisch nest en zou de wereld altijd via een daardoor bepaald engagement beleven, hoewel deze betrokkenheid in zijn ontwikkeling steeds indirecter werd, zoals in Eelde mooi te volgen is. Het ligt voor de hand – en het gebeurt ook hier – om Melle Oldeboerrichter (hij gebruikte deze achternaam nooit) te vergelijken met Jeroen Bosch, met diens tot in de kleinste details uitgewerkte voorstellingen van hel en verdoemenis. Nadere beschouwing van Melles overbevolkte visioenen brengt al snel een principieel verschil met de laat-middeleeuwse voorganger aan het licht. In Melles wereld is nauwelijks echte fysieke agressie te vinden, geen elkaar met speren doorborende, aan stukken hakkende, verbrandende of ophangende griezels, die bij Bosch actief zijn.

Bovendien was Melle in al zijn pessimisme ook een grappenmaker, een spotter. Bijvoorbeeld in het schilderij Ode aan Erasmus, waar twee fors uitgevallen fallussen met benen, billen en voetjes een diepe buiging naar elkaar maken voor een portret van de grote humanist. Of in ratten en varkens die zo zwaar en fors geschapen zijn dat ze nauwelijks vooruit, laat staan omhoog komen.

Overigens verschijnen de bezielde geslachtsdelen pas later in zijn werk dat oorspronkelijk werd beheerst door het lot van de geknechte mens. Maar toch is Melle (van oorsprong typograaf, als kunstenaar autodidact) dan al bezig met zijn eigen wereldje, waarin hij samengaat met zijn gefantaseerde vriend Toende, die hem pas na zijn twintigste verjaardag zou verlaten. Hij stierf toen. Waarschijnlijk is dat Toende eigenlijk Melle heette en de bedachte verpersoonlijking was van een zoontje uit een eerder huwelijk van zijn moeder, dat ook Melle heette. Het kind en ook de rest van zijn moeders eerste gezin stierf aan tbc.

Ondanks de bittere armoe in haar nieuwe gezin heeft zij haar tweede Melle in diens talent gesteund en gestimuleerd waar zij maar kon, hetgeen later ook gold voor de twee vrouwen die hem als vriendin en echtgenote hebben vergezeld.

Zij leefden, voor zover zoiets mogelijk is, mee in zijn wereld die steeds meer werd bevolkt door de wezens uit het diepst van zijn onderbewustzijn. Hij had de gave de deur naar die onderste lagen open te houden en de virtuositeit om te noteren wat hij beleefde.

De expositie in Eelde geeft een uitvoerig beeld van een merkwaardige kerel, die samen met onder andere Moesman het surrealisme in onze recente kunstgeschiedenis gezicht gaf. Toch was hij een volstrekte eenling die met een kleurenchaos als uitgangspunt aan het werk ging en die steeds gedetailleerder tot alles kwam: een aalbessen etend gebit, een door de mazelen aangetaste Jezus, een neushoorn met het geslachtsdeel op de neus, ontkiemende bruine bonen, copulerende draken. Hij kon schilderen als de pest, zei hij zelf en dat is waar.

Bijvoorbeeld in 1943 het vierluik Germanendom. Een krokodillengedrocht is bezig met verkrachten in een vertrek met een raam waarachter twee gehangenen. Deze in die jaren niet ongevaarlijke voorstelling kon verborgen worden door de zijluiken dicht te klappen waarna er een idyllisch landschap, beheerst door een koolmees te voorschijn komt.

Tentoonstelling: Melle, schilderijen, tekeningen, grafiek. T/m 3 oktober in Museum voor figuratieve kunst De Buitenplaats, Hoofdweg 76, Eelde. Di t/m zo van 11-17 uur).