Eekhoorn met warm stromend water

Na het succes van kunst met doorgezaagde koeien en net-echte gemartelde mensen vond de Tate Gallery in Londen het tijd voor dromerige kunstenaars.

In de koepel van de statige ontvangsthal van de Tate Gallery in Londen bungelt hoog boven de vloer een levensgroot dood paard in een tuig. Zijn benen zijn extra lang – dit paard kan nooit gegrazen hebben, want zijn kop kan niet bij de grond komen. De bezoekers lopen eronderdoor, en van onder af zie je duidelijk dat de ijzerloze hoeven zijn afgesleten. Dit is een paard dat geleden heeft. Het is een mottig scharminkel. De verlengde poten versterken de hulpeloze indruk die het beest geeft.

Het is eigenlijk een omkering van het principe dat Michelangelo toepaste bij zijn beeld van David in Florence: de beeldhouwer maakte Davids hoofd en schouders groter dan naar verhouding juist was, zodat de toeschouwer vanaf de grond toch de details in de hoogte nog goed kon zien.

De Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan heeft zijn paard van onderen groter gemaakt, daar waar de kijker het dichtst bij is. Het is tegelijk een deerniswekkend beeld, en door die rare lange poten ook grappig. Het is een tragikomisch symbool van vergeefsheid, van lijden en sloven dat uiteindelijk leidt tot niks, dat daar in de lucht hangt – en het is daarmee veel meer dan alleen maar een symbool voor De twintigste eeuw, zoals Cattelan zijn installatie heeft genoemd.

Cattelans paard is de ouverture van de tentoonstelling Abracadabra die het Britse museum voor hedendaagse kunst de Tate Gallery deze zomer organiseert. Vijftien kunstenaars uit ondermeer Italië, Japan en België doen mee – en amper een jonge Brit. De titel wijst op een lichtvoetige bezwering, en dat is ook de opzet. Dit is de zomer van de vrolijke toverkunst, na een paar seizoenen van harde realiteit. De wens van de samenstellers om kunst te laten zien waarin `serieuze onderwerpen licht en toegankelijk behandeld worden, zonder strakke regels,' zoals de Tate-directeur Nicholas Serota in de catalogus schrijft, is een reactie op de recente, succesvolle Britse kunststroming, Brit Art, waarin kunstenaars juist hard en confronterend werk laten zien. Zoals de Brit Damien Hirst die met zijn doorgezaagde koeien en varkens op sterk water, de dood onverbiddelijk en onromantisch in het museum heeft gebracht. Helaas is daarvan in Nederland weinig te zien geweest. De musea in ons land hebben zitten suffen - hoewel het Stedelijk Museum in Amsterdam net een bak met ziekenhuisafval op sterk water gekocht heeft van Hirst, een van de invloedrijkste kunstenaars van de afgelopen tien jaar.

Voorlopig hoogtepunt in de race om zo ontluisterend mogelijke beelden te maken, was de tentoonstelling Sensation, eind 1997 in Londen, met werk van Hirst en Sarah Lucas. De gebroeders Jake en Dino Chapman lieten er realistische beelden zien van onthoofde en gecastreerde mannen, die aan een boom waren gehangen.

Tafelvoetbal

Wie nu de grote expositiezaal waar Abracadabra te zien is, achterin het museum binnenstapt, komt een heel andere kunstzinnige wereld binnen. Meer dan manshoge roze-witte waterlelies met bloemen van doorschijnend kunststof, van de Amerikaan Keith Edmier, maken meteen duidelijk dat je eerder een tovertuin betreedt dan een grimmige kunstshow. Er hangt vrijwel niets aan de muur, in een vrolijke chaos staan kunstwerken doorelkaar, er zijn spiegelende wanden en midden in de zaal zie je volwassenen en kinderen spelen aan een meterslange tafelvoetbaltafel. Je hoort dat de spelers plezier hebben. Abracadabra is een tentoonstelling waar je een goed humeur van krijgt – een zeldzaamheid bij hedendaagse kunsttentoonstellingen. Die zijn meestal nogal uitputtend, vanwege de grote hoeveelheid goede wil die je als toeschouwer moet investeren in de getoonde kunst, wil je die kunnen begrijpen of waarderen – en het resultaat van die inspanning is meestal teleurstellend. Dat is in de Tate amper het geval.

Er ligt een keurige Japanner in een duur pak op de grond – zo levensecht dat je amper gelooft dat het een pop, een robot is. Maar de video's bij de keurige liggende zakenman, die een eigen naam heeft, Miyata Jiro, maken duidelijk dat zijn schepper, kunstenares Momoyo Torimitsu hem daadwerkelijk in New York, Londen en Tokio door de straten heeft laten kruipen, in een soort tijgersluiphouding – tot grote verbazing van het publiek. Het is een karikatuur van de man op zijn kruiperigst, en de kunstenares liep er zelf in een verpleegsterpakje bij, om hem af en toe een nieuwe batterij te geven.

Naast deze keurige kruiper ligt een groot blauw grondzeil, waarop enorme ribkartonnen onderdelen van een automatisch geweer uitgespreid zijn. Op de verklarende video zien we een volwassen man, verkleed als ventje met korte broek en een petje op, op datzelfde blauwe zeiltje met zorg de machinepistool-onderdelen maken en in elkaar zetten. Daarna gaat hij met zijn enorme kanon uit het raam staan schieten, zelf de knal-geluiden makend. Playtime heet de installatie van de Duitse Brigitte Zieger.

De vraag die je al rondlopend op Abracadabra helemaal niet op voelt komen is: het is grappig, maar is het kunst? Daar is de sfeer te goedgemutst voor, de expositie te prikkelend. De grootste bijdrage aan het goede humeur op Abracadabra levert de Franse kunstenaar Pierrick Sorin (Nantes, 1960) met zijn slapstick-video installatie A Wonderful Show uit 1996. Je wordt er naartoe gelokt, omdat die is opgesteld in een witte kast, met een kijkgat erin, waar steeds maar één bezoeker voor kan staan. Meestal zijn zulke video-installaties het absolute dieptepunt van tentoonstellingen, omdat ze te saai voor woorden zijn.

Maar hier is het anders. Er staat een lange rij bezoekers bij de witte videokast geduldig te wachten, nieuwsgierig gemaakt door de spontane giechels waarin degene die door het kijkgat staart steeds uitbarst. En alle kijkers nemen de tijd: vijf minuten loeren ze gemiddeld de kast in. En sommigen sluiten zich opnieuw achter aan de rij aan, want ze willen nog meer.

De verwachtingen zijn dan ook hooggespannen als je eindelijk het kijkgat in mag kijken. De eerste verrassing is dat je je eigen hoofd uit een badkuip vol schuim ziet steken; je wordt, al kijkend in de installatie meteen gefilmd en je gezicht wordt boven het schuim geprojecteerd. De toeschouwer zit als het ware in bad, en kijkt naar de televisie die bij de rand van het bad staat, in een nagebouwd badkamertje. Op de televisie draaien oude en nieuwe slapstick films, van zwart-wit tot Monty Python, en steeds stapt er waarlijk een figuurtje uit het scherm. Hij beweegt zich los van het scherm naar de rand van het bad: het is Pierrick Sorin zelf, die steeds mime-stukjes opvoert. Hoe dat technisch allemaal mogelijk is, dat je een bewegend, gefilmd figuurtje uit een tv kunt laten springen, dat naar de rand loopt van een bad, waar je zelf in lijkt te zitten, is al adembenemend: het is waarlijk, zoals Sorin het noemt, een virtueel-minispektakel. Maar dat is niet het enige.

Sorin blijkt een perfecte leerling van Jacques Tati, Charles Chaplin en acteurs uit komische zwijgende films, want hij voert zeer geestige sketches op aan de rand van het bad. Hij speelt de fatale vrouw, de dronken man die in bad piest en de onhandige man, die struikelend met een plons in het bad verdwijnt en de visser die door de vis in bad getrokken wordt. Een hele stoet menselijke, tragikomische types trekt voorbij, het is `le grand cirque humain', waarvan je zelf, zogenaamd in bad, ook onderdeel van bent.

Rowan Atkinson heeft, met groot succes, als Mr Bean al geprobeerd het genre van de komiek uit de zwijgende film nieuw leven in te blazen, maar Pierrick Sorin doet als Franse Mr Bean niet onder voor Atkinson. Niet alleen omdat hij uiterlijk wel wat heeft van Atkinson. Ook in andere video's die op Abracadabra te zien zijn merk je dat Sorin de magie van de zwijgende filmkomiek serieus neemt: hij filmde zichzelf met vast camerastandpunt ochtenden lang opnieuw, als hij weer niet uit bed kon komen, we zien hem – probleem van de gekwelde intellectueel – letterlijk bedolven worden onder een aanhoudende stortregen van boeken en in een hilarische sketch probeert hij in zijn onderbroek een plank door te zagen met een elektrische zaag. Het is niet alleen maar lol. In de catalogus citeert Sorin de Franse auteur Emile Corian: `Corian heeft gezegd dat we, als we de complexiteit van het leven bezien, alleen maar stom kunnen glimlachen. Dat is de stupiditeit die het personage in mijn films heeft. Net als zijn eenzaamheid, heeft zijn stupiditeit iets fundamenteels; het is de domheid van de mens in het algemeen, in zijn onvermogen om de waarheid van de wereld te bevatten.'

Voor Sorins virtuele mini-spektakel geldt in optima forma wat voor de meeste van Abracadabra-kunstenaars geldt: ze gaan, net als filmmakers, uit van de alledaagse werkelijkheid, en geven die een eigen komische of gruwelijke draai. Maar ze verliezen niet uit het oog dat de toeschouwer zich moet kunnen identificeren met dat wat hij te zien krijgt.

Die houding zorgt er op Abracadabra voor dat je je betrokken voelt bij de kunst, je bent medespeler in de tentoonstelling – in sommige gevallen zelfs letterlijk, zoals bij het tafelvoetbalspel voor elftallen van Maurizio Cattelan, midden in de zaal. Daartoe word je, als je al niet de aandrang voelde om met wildvreemde bezoekers aan de meters lange tafel balletjes te schieten, uitgenodigd in de folder van het museum. Cattelan noemde het werk uit 1991 Stadion, en hij heeft er in zijn geboorteland Italië een echt voetbalteam mee laten spelen tegen een door hemzelf opgericht voetbalteam van Senegalese immigranten.

Cattelan en Sorin zijn de sterren van Abracadabra: je zou meer van hun kunstwerken willen zien, ze zijn speels, uitnodigend en ondanks alle humor ook verontrustend of deerniswekkend.

Inbreker

Cattelan speelt niet alleen met de toeschouwers, hij speelt ook met de regels van het kookboek van de moderne kunst en die van het wetboek. Hij heeft bij wijze van expositie in het kunstcentrum De Appel drie jaar geleden, laten inbreken in de (deze zomer opgeheven) Amsterdamse galerie Bloom, zoals curator Martijn van Nieuwenhuyzen van het Stedelijk Museum in een artikel in de Abracadabra-catalogus memoreert. Cattelan heeft de bij Bloom aanwezige expositie van Paul de Reus in dozen laten pakken. Die dozen wilde hij exposeren in De Appel. De galeriehoudsters van Bloom, die van niets wisten, vonden dat te ver gaan en eisten hun spullen terug.

Cattelan is niet alleen maar een inbreker. Zijn beeld Charlie don't surf is pijnlijk: een levensecht en levensgroot beeld van een jochie dat aan een schooltafeltje zit, met beide handen vastgepind op het tafelblad - doorboord met scherpe potloden.

Het hoogtepunt van Abracadabra is ook een installatie van Cattelan. Die is nauwelijks te vinden, in een hoekje van de museumzaal, achter een grote houten `volière' van de Belg Patrick van Caeckenbergh, waarin theepotachtige vogels en andere beesten van bruine klei zitten - de dieren hebben rode klompen aan. Het lijkt een merkwaardig betoverde alledaagse huiskamer, deze volière.

Achter dit hok vol vreemde wezens is in de hoek van de zaal het tapijt weggesneden, zodat het parket daaronder zichtbaar is.

Daar heeft zich, op een oppervlak niet groter dan een halve vierkante meter, een drama afgespeeld. Aan een kleine gele kunststof keukentafel zit eekhoorn. Hij is voorover gevallen op de tafel. Naast de tafelpoot ligt een klein pistooltje.

Eekhoorn heeft zelfmoord gepleegd. Links, net boven de plint van de museumzaal, hangt een wasbak met borden erin en een kraantje erboven. Op de borden, zo groot als guldens, is viezigheid geschilderd. Het is duidelijk: eekhoorn heeft de afwas niet gedaan voor hij de hand aan zichzelf sloeg. Naast de wasbak zit ook een boiler. Eekhoorn had warm stromend water.

Je wordt onmiddellijk het verhaal ingezogen dat Cattelan presenteert in deze installatie met de raadselachtige titel Bidibidobidiboo.

Je kijkt en wilt weten: Wat is hier gebeurd? Waarom heeft eekhoorn zelfmoord gepleegd? Wat dronk hij uit het glaasje dat voor hem, leeg, op tafel staat? Waarom staat de tweede stoel bij de keukentafel weggeschoven, alsof er nog iemand aan tafel heeft gezeten? Wie was dat? Dit is drama in Beatrix Potter vermomming. Maar het blijft drama.

Uiteindelijk heeft deze opgezette eekhoorn-installatie hetzelfde thema als de doorgezaagde koeien-installaties van Damien Hirst. De dood, het raadsel van het leven. Op Sensation toonde Hirst zijn grote dode tijgerhaai op sterk water, getiteld The physical impossibility of the death in the mind of someone living. Met deze haai en deze titel wil Hirst zeggen `dat wij metaforen nodig hebben om de dood te kunnen denken,' schreef Anna Tilroe in het CS (26/9/1997).

Kunstenaars als Hirst, Lucas en andere Brit Art-kunstenaars zoeken beelden die zo ontluisterend mogelijk zijn. De realiteit moet zo dicht mogelijk genaderd worden - want metaforen, de troost van vorm, verhalen, ze verdampen in het gezicht van de onverbiddelijke realiteit. De werkelijkheid is een nachtmerrie, en daar moeten we het mee doen.

De kunstenaars uit Italie, België en Japan die de Tate voor Abracadabra bij elkaar gebracht heeft, zijn daar veel minder stellig over: ze zijn dromeriger, en geloven meer in de kracht van fantasie en humor. Ze laden niet het leed van de wereld op hun schouders, en poseren ook niet als sjamanen die de wereld kunnen verbeteren, ze hebben geen streng moralistische boodschap. ,,Deze kunstenaars ontkennen of bestrijden de werkelijkheid niet, maar ze willen die eenvoudigweg dragelijker maken, ze willen hem zachter maken onder de hamer van de verbeelding,'' schrijft medesamenstelster van de tentoonstelling Catherine Grenier in de Abracadabra-catalogus. Zij is Française, curator van het museum Centre Pompidou in Parijs, vandaar dat ze haar metafoor ontleend aan de gastronomie: de werkelijkheid is taai als een biefstuk, en moet met fantasie malser geslagen worden.

En dat lukt – in ieder geval met de kunst die te zien is op Abracadabra.

Abracadabra, Tate Gallery, Millbank, Londen. T/m 25 sept. Dag. 10-17u. catalogus ƒ52,50