Economie van de kunstenaar (2)

Terwijl de meeste kunstenaars, zoals het rapport van de UvA zegt, `grote moeite hebben om rond te komen', zijn op de vrije markt hun maatschappelijke omstandigheden zoals die van bijna iedere beroepsgroep veranderd. Deze week is bekend geworden dat verplegend personeel voor de operatiekamers zo schaars is dat ziekenhuizen headhunters te hulp roepen om in andere ziekenhuizen te ronselen. De meeste kunstenaars, geniaal of niet, zullen nooit een headhunter tegenkomen. Ze zijn talrijk en ze verlenen geen hulp in situaties waarin het kan gaan om leven of dood. Daardoor vormen ze als beroepsgroep op de vrije markt een zwakke partij.

De kunstenaar, individueel, is betrekkelijk uitzonderlijk omdat hij een roeping heeft en een talent; twee factoren die dan weer in allerlei combinaties kunnen voorkomen. Roeping honderd en talent nul is onverdragelijk; roeping nul en talent honderd is zuivere verspilling. We nemen aan dat het bij de meesten om de vijftig/vijftig schommelt. Al die talenten willen en moeten op hun eigen, individuele manier de aandacht van de markt trekken. Dat wil zeggen: naar beste kunnen hun roeping volgen, en bovendien, daarin ook door het publiek, het vak en de kritiek worden erkend. Freud zegt: `De kunstenaar wil geld, roem en de liefde der vrouwen.' Dat zijn drie vormen van erkenning. En een kunstenaar die zijn leven lang deze en andere vormen van erkenning ontbeert, verkommert. Erkenning is letterlijk een levenskwestie, niet alleen in ecomische zin; ook psychisch.

Op de vrije markt is het altijd tumult. Iedereen vraagt voor zijn product de unieke aandacht. In de commercie gaat het met de reclame. Vernieuwd! Dat kan de klant aan het poeder, de vloeistof, het zwarte kastje niet zien. Hij moet maar afwachten of het waar is. En lang voor ze de proef op de som hebben genomen, zijn de meesten vergeten dat ze iets vernieuwds hebben gekocht. De kunstenaar is een uitzondering omdat je aan zijn werk meteen kunt zien of het vernieuwd is of niet. Met andere woorden: op de vrije markt is voor hem de verleiding groot, de reclame meteen in het product te stoppen.

Zo ontstaat in het aanbod op de kunstmarkt de inflatie der superlatieven. Het is te zien op de Biennale van Venetië, in Kassel, op alle grote internationale tentoonstellingen waar de trend voor de komende seizoenen wordt gezet. Doorgezaagde stier om de vergankelijkheid uit te beelden; stervende insecten die de wreedheid van het leven symboliseren; rottende rat, enz. Ontegenzeggelijk is het een van de trends op de vrije kunstmarkt. Maar er zijn drie bezwaren. In de inflatie der superlatieven ontwikkelt de kunst een steeds nauwer verwantschap met de topsport. Er is een streven naar meetbare records, omvangrijker installaties, schokkender voorstellingen, voortgezette pogingen tot het breken van het `ultieme taboe' (let op het woord ultiem, het is een sleutelwoord in sportverslaggeving en kunstkritiek). Dat is een lineaire ambitie, d.w.z. er komt een eind aan, en daarmee zal al het voorafgaande `in het niet verzonken zijn'. Ten tweede berusten deze artistieke prestaties meer op de vondst dan op het talent.

De vondstenaar verdringt de kunstenaar. En de kunstenaar op de vrije markt trekt, na een aanvankelijk succes op het gebied van de erkenning, economisch aan het kortste eind. De vondst (die volgens de theorie van de lineaire ambitie) steeds groter, vervaarlijker, ultiemer wordt, blijkt daardoor omgekeerd evenredig verkoopbaar te zijn. En de overheden van wie dan verwacht wordt dat ze zo'n monumentale vondst zullen kopen om op een plein te zetten, denken aan hun achterbannen, vervolgens aan de kosten van de sloop en zien ervan af.

De particuliere koper, verzamelaar is dan allang van de markt verdwenen. Dat zien we in het genre van de installaties. Een uitzondering, misschien wel een van de weinige ter wereld, is het echtpaar Rubell, wonend in Manhattan en verzamelaars van installaties. Ze hadden geluk. Ze konden in Miami een loods kopen die gediend had tot opslagplaats voor in beslag genomen verdovende middelen. Vloeroppervlak ongeveer 30.000 vierkante meter. Van zo'n uitzondering kan de installatiemarkt niet leven. Zoals op alle andere markten gaat het ook hier tenslotte om wat men noemt `een gezond evenwicht' tussen vraag en aanbod. Hoe verleidelijk het dus ook is, een installatie te bouwen en met de ultieme vondst een kwartier wereldberoemd te zijn, de waarschijnlijkheidsberekening leert dat de kunstenaar grote kans heeft, in het slop terecht te komen.

(wordt vervolgd)