Derwisj van de blues

Een paar weken geleden speelde zangeres Courtney Love met haar band Hole op het Glastonbury Festival in Engeland. Tijdens het optreden begon Love plotseling het publiek aan te moedigen om bij haar op het toneel te klimmen. Een menigte bestormde het podium. Tientallen fans raakten bekneld en moesten door de bewaking worden ontzet. De organisatie was verontwaardigd dat Love zulke risiso's nam: te meer omdat een week eerder, bij een concert van Hole in Zweden, een meisje was doodgedrukt tegen de hekken.

Courtney Love is niet de eerste vrouwelijke entertainer die de liefde van haar publiek dichtbij wil voelen. Janis Joplin deed het onder andere in 1968 toen ze in Europa op tournee was. Bij een concert in Duitsland haalde ze zoveel mensen op het podium dat er voor haarzelf nog slechts een hoefijzervormige uitsparing over was om te bewegen. Maar dat kon Joplin niet schelen: ze wilde aangeraakt worden door de fans, ze horen schreeuwen hoe geweldig ze was, weten dat ze van haar hielden.

Het portret dat Alice Echols van Joplin tekent in haar nieuwe biografie Scars of Sweet Paradise. The Life and times of Janis Joplin lijkt bijna een blauwdruk voor leven en werk van menig blanke onaangepaste rockzangeres: stoere vrouwen die hun hunkering naar liefde maskeren met agressief en opruiend gedrag, en ondertussen verwachten dat de fans die behoeftes toch zullen vervullen. Dat geldt niet alleen voor Courtney Love (die haar groep Hole naar die hunkering vernoemde), maar ook voor Nina Hagen, Kathleen Hanna (Bikini Kill), Jennifer Finch (L7) en misschien zelfs de Haagse Anouk.

Ze spelen een rol. Zo bedacht Joplin ergens in haar tienerjaren de vloekende dragonder met altijd een flacon Southern Comfort binnen handbereik - een karikatuurversie van de echte Janis. Dit nieuwe zelf was op twee manieren nuttig: ten eerste om zich teweer te stellen tegen school- en dorpsgenoten die haar onconventionele schoonheid en afwijkende gedrag toch al bespotten. Bovendien gaf het haar, schrijft Alice Echols, een idee van controle. Nu ze zich zo uitvergrootte, was het immers niet meer de echte Janis die werd verworpen. De afkeer gold nu haar kunstmatige lachje (een schrille snater), haar vuilbekkerij, haar drankzucht.

In het geval van Joplin werd die tweedeling de basis voor een levenslange ambiguïteit, waarbij de ene identiteit steeds een andere moest verhullen: de onaangepaste hippie chick verborg de onzekere adolescent, de ster de geborgenheid zoekende moederkloek, de heteroseksuele veelvraat de lesbienne, en de alcoholist uiteindelijk de junkie. Volgens Echols, die Joplin ontleedt alsof ze haar persoonlijk op de divan heeft gehad, zat achter deze maskerade uiteindelijk `een bodemloze put van behoeftigheid' die alle seks, drugs en roem van de wereld niet konden vullen.

Waar komt zo'n bodemloze put vandaan, vraag je je af. Maar in de nauwkeurige psychologische tekening van het fenomeen Joplin, is dit een vraag die Echols onbeantwoord laat. Er wordt gesuggereerd dat moeder Dorothy niet van haar gehouden zou hebben (en bij de laatste confrontatie, een paar weken voor Janis' dood zou hebben uitgeroepen: `Ik wou dat je nooit geboren was'), maar dat wordt als oorzaak niet verder uitgewerkt. Toch doet deze nalatigheid niets af aan de complete indruk die Echols' boek maakt. Tot en met de nauwkeurige discografie en lijst van door Echols gevoerde gesprekken met getuigen, is alles even degelijk en vertrouwenwekkend.

Haar boek beschrijft bovendien meer dan alleen het leven van Janis Joplin, Scars of Sweet Paradise is een portret van een generatie en een plek: de hippiegeneratie van San Francisco. Echols behandelt ook de muzikale ontwikkelingen van de jaren zestig: van folk, rauwe rock (hier heel verwarrend `rock `n' roll' genoemd) en psychedelica, tot de country-beweging van eind jaren zestig (waaruit maar blijkt dat de stromingen elkaar toen nog bijna sneller opvolgden dan tegenwoordig).

Zo begon de later als blueszangeres bekend geworden Joplin haar zangcarrière als `folkie'. In de stad Austin, waar ze na de gehate middelbare school in haar geboorteplaats Port Arthur, Texas, als student naartoe ging, nam ze in 1962 iedere woensdagavond deel aan de `folksings' in een cafetaria. Daar zaten de liefhebbers van Woody Guthrie, Pete Seeger en Bob Dylan bij elkaar in een kring, pakten om beurten de gitaar en zongen een liedje.

In die cafetaria werd Janis' talent voor het eerst ontdekt: door anderen en door haarzelf. In plaats van een opleiding tot schooljufrouw, zoals haar moeder voor haar in gedachten had, ambieerde Janis nu een toekomst als zangeres. Haar kans kwam in 1966 toen de manager van Big Brother and the Holding Company, uit San Francisco, een zangeres zocht en haar vanuit Austin liet overkomen. Het werd Joplins tweede kennismaking met de stad, die ze in 1965 was ontvlucht toen ze daar de nadagen van de Beat-beweging had meegemaakt. Gefrustreerd in haar plannen om zangeres te worden, verslaafd aan speed en teleurgesteld in de liefde was ze toen teruggekeerd naar huis - serieus overwegend om alsnog schooljuf te worden.

Nu ze ging zingen bij Big Brother was de scene veranderd. Het verzamelpunt van de hippe bohemiens was Haight-Ashbury. Hier was lsd ruimschoots verkrijgbaar en werden electric ballrooms opgericht waar beginnende rockgroepen konden optreden. Janis Joplin vond als zangeres van Big Brother and the Holding Company (een stoned en weinig maatvast gezelschap) een nieuwe familie toen de hele band inclusief aanhang en kinderen als commune een huis betrok. Maar door Nancy, de vrouw van gitarist James Gurley, raakte ze opnieuw aan de drugs; na een dosis speed zaten ze samen de hele nacht kraaltjes te rijgen.

Door het Monterey Pop Festival, dat in 1967 werd gehouden, werd alles anders - voor Janis en voor San Francisco. Al stond haar onbekende groep in de namiddag geprogrammeerd, met haar uitzinnige versies van allerlei bluesnummers en vooral Big Mama Thorntons Ball and Chain liet ze het publiek verbijsterd achter. Hippies en collega-muzikanten keken met open mond hoe Janis transformeerde, van een achter haar haar verborgen vrouw tot over het podium wervelende bluesderwisj. Joplin mocht dan geen gangbare schoonheid zijn, tijdens een optreden was ze een en al ritme, beweging en hartstocht. Kortom seks.

Blanke zangeressen waren tot dan toe `dames' - denk aan Joan Baez en Grace Slick - en geen grauwende heksen, daar kwamen tot dan toe alleen zwarte vrouwen mee weg. Maar Janis leende de techniek van Etta James en zong zich in het zweet. Haar optreden wekte onmiddellijk de belangstelling van Albert Grossman, de beroemde manager van Bob Dylan, die Janis zijn diensten aanbood (daarbij de krukkige muzikanten van Big Brother and the Holding Company op de koop toenemend). `Monterey' werd het keerpunt in Janis' carrière.

Maar Monterey werd ook het keerpunt voor Haight-Ashbury. Door alle publiciteit rond het popfestival wist ineens iedere Amerikaanse jongere het epicentrum van de hippiecultuur te vinden. En menig Amerikaanse ouder ontving in die dagen wat Tom Wolfe `The Beautiful People letter' noemde: een brief waarin hun kind vertelde dat hij zijn heil elders ging zoeken, `maar maak je over mij geen zorgen. I have met some beautiful people'. Haight-Ashbury raakte overstroomd door duizenden hippies, nephippies - die zich bij aankomst eerst dekralenkettingen en broeken met wijde pijpen aanschaften - en dropouts. De middenstand sprong er gretig op in, iedere maand opende er weer ergens een nieuw Love Café of Love Burger-restaurant. Dealers verkochten oregano als marihuana en nogal wat aspirant hippies verslingerden zich aan de heroïne. De veelbezongen Summer of Love van 1967 was voor San Francisco een ramp.

Janis werd razendsnel een fenomeen. Dat gaf haar voldoening, maar bracht ook de ontoereikendheid van Big Brother aan het licht. Het ontslag van haar band, in 1968, wordt door Alice Echols gezien als begin van het einde. De dramatische beslissing om de mannen die haar haar eerste kans hadden gegeven, opzij te zetten gaf Joplin een nog grotere behoefte aan verdoving dan anders. Ze werd een fulltime junkie en ze kon het betalen ook.

Haar persoonlijke neergang ging parallel aan een professionele groei. De door Albert Grossman verzamelde nieuwe (naamloos gebleven) groep muzikanten bracht nog weinig verbetering ten opzichte van Big Brother, en nu moest Joplin zelf de band nog leiden ook. Maar met de derde Joplin-groep, the Full Tilt Boogie Band, was het raak. Deze muzikanten waren tegen haar opgewassen. Tegen het eind van Joplins leven was ze goed in staat om een groep muzikanten te coachen, ze ging werken met een producer die haar aanvoelde (Paul Rothchild) en ze genoot van haar roem. Alles in orde, zo leek het. Maar ondertussen hunkerde Janis nog steeds naar de Grote Liefde, leed onder het seksisme dat ook in de pop-branche heerste en gebruikte ze steeds meer drank en drugs.

Janis Joplin stierf in 1970, een paar weken na Jimi Hendrix, aan een overdosis heroïne. Haar teloorgang heeft Echols dan nauwkeurig in kaart gebracht. Maar toch slaagt ze erin met een lichte toets te eindigen. Want hoe triest Janis' leven ook was, ze heeft uiteindelijk meer bereikt dan ze als lelijk eendje uit Port Arthur had durven hopen. Joplin was niet alleen een ster, haar muziek veranderde het beeld van wat het betekent om een vrouw te zijn.

Alice Echols: Scars of Sweet Paradise. The Life and Times of Janis Joplin. Metropolitan Books, 408 blz. ƒ95,80