De mannen van mijn moeder

AMSTERDAM Op vrijdagavond ontvangt mijn moeder alleenstaande mannen. De oudste is 94, de jongste is in de vijftig.

Sommigen komen uitsluitend voor het eten, anderen hopen op meer.

Na de dood van mijn vader zijn haar verscheidene mannen aangeboden, maar zij geeft de voorkeur aan haar vrijdagavonden.

Een enkeling heeft het weten klaar te spelen bij haar te logeren. Aangezien mijn moeder van nature een voorzichtig wezen is, deed ze de deur van haar slaapkamer zorgvuldig op slot.

Hoewel ook dat niet heeft geholpen. Ze had een beer van een vent te logeren. Dit zijn haar woorden en ik heb haar nog gezegd dat ze een man die eruit zag als een beer van een vent helemaal niet binnen moest laten. Middenin de nacht hoorde ze gebons op haar slaapkamerdeur. Mijn moeder, die vindt dat je maar beter uit kunt gaan van het ergste, dacht aan brand, of een inbreker. Maar het was slechts die beer die in pyjama voor haar slaapkamer stond en zei, ,,ik wil met je over je zoon spreken.''

,,Maar toch niet middenin de nacht,'' zei mijn moeder.

Vanaf dat moment was het afgelopen met de logeerpartijen.

,,Ik ben geen hotel,'' zei ze, ,,bovendien probeert hij altijd zijn vieze mond op mijn lippen te drukken. En hij eet als een beest.''

Verreweg de meeste monden vindt mijn moeder vies, en hoe haar bezoekers eten wordt zorgvuldig bijgehouden. Soms belt ze op en zegt, ,,meneer X heeft zijn halve kip laten staan.'' Of, ,,meneer Y heeft weer een uur op de wc gezeten, zijn stoelgang holt achteruit.''

Niets ontgaat haar en van alles word ik op de hoogte gehouden. Soms voegt ze eraan toe, ,,misschien kan je het gebruiken voor je geschriften.'' Want de angst dat haar zoon als clochard onder een brug zal eindigen is een onoverwinnelijke. Ze beschouwt het als haar moederlijke plicht mij van materiaal te voorzien en zo met vereende krachten de armoedegrens voor ons uit te schuiven. Ze zegt, ,,mensen zeggen dat je het van mij hebt.''

Alles wat niet tot haar eigen familie behoort duidt mijn moeder aan als, ,,de mensen.''

,,Snel'', riep ze vroeger, ,,de mensen komen, ruim alles op.''

Haar eigen familie bevond zich kennelijk in de periferie van het menselijk ras en zichzelf zag ze als een subversieve entiteit, slechts zeer slordig vermomd.

Mijn moeder wilde graag dat haar kinderen haar mannen zouden leren kennen en daarom had ze ons uitgenodigd deze zomer naar Amsterdam te komen.

De mannen van mijn moeder bevinden zich ieder op hun manier ook in de periferie van het menselijk ras. Maar het was niet daarom dat ik aarzelde of ik die uitnodiging moest aannemen.

Nu en dan afzonderlijk een familielid ontmoeten gaat nog wel, maat allemaal samen is eigenlijk te veel gevraagd.

Met angstige voorgevoelens arriveerde ik in Amsterdam. Misschien was het beter als ik de mannen van mijn moeder niet leerde kennen. Je hoeft niet alles te weten. Beter van niet zelfs. En mijn zus zou ook komen.

Mijn zus woont in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, ze heeft zes kinderen, loopt in soepjurken en draagt merkwaardige mutsen op haar hoofd. Haar man weet veel van god, zijn baard is oud en zijn ogen zijn fel.

De oudste van mijn neven en nichten zien in mij de zondaar die ik misschien wel ben.

Ik begroette mijn familieleden en deed mijn uiterste best zelf ook een familielid te worden.

Ik nam een kind op schoot en gooide het een paar keer in de lucht.

,,Pas op,'' riep mijn moeder, ,,straks valt het op de grond.''

Maar het viel niet op de grond. ,,Maak je niet druk,'' zei ik, ,,ze heeft er toch zes.''

Ook mijn moeder voelt enige distantie ten opzichte van haar kleinkinderen. Over een zei ze, ,,ik kan er niets aan doen, maar ik vind hem een kotsmiddel.''

Desondanks bestaat er geen twijfel dat ze van die kleinzoon houdt. De mens is ook in staat van kotsmiddelen te houden. Zelf ben ik ook wel eens met een kotsmiddel verward en toch heeft het mij nooit aan liefde ontbroken. ,,Hoe komt het toch,'' vroeg ik aan mijn moeder, ,,dat je twee van die gekke kinderen hebt gekregen? De een neemt het woord van god letterlijk, en de ander neemt zijn eigen woorden letterlijk. De een ziet de wereld als een ritueel badhuis, de ander als een bazaar volgepropt met koninginnedagspullen. De een denkt dat de liefde van god komt, de ander dat het een kwestie is van afdingen. Misschien hebben je kinderen het zaad van de waanzin besproeid en bemest, maar kan het niet zijn dat jij en pappa de zaadjes in de grond hebben gestopt?'' Van het zaad van de waanzin wil mijn moeder niets weten.

,,Zoiets komt in onze familie niet voor.''

En mijn zus zegt, ,,met mij is niets aan de hand, jij hebt een klap van de molen gehad.''

Zo denken wij van elkaar dat de ander niet goed in zijn hoofd is, en dat schept ook een band.

Al op donderdagavond begon mijn moeder voor haar mannen te koken en werden bejaardentaxi's gebeld. Ze zijn niet allemaal meer even goed ter been.

Ik probeerde uitpraatjes te verzinnen waarom ik niet kon komen op vrijdagavond, maar de wroeging won het en ruim bijtijds was ik aanwezig in mijn ouderlijk huis.

Mijn moeder rende van de keuken naar de woonkamer, mijn zus zei gebeden en ik liep rondjes door de tuin.

Een voor een arriveerden de mannen van mijn moeder. Sommigen lopend, anderen op de fiets, een enkeling met de bejaardentaxi.

,,Praat even met de gasten,'' zei mijn moeder, ,,ik ben nog met de aardappelsalade bezig.''

Niet het bestaan is ondraaglijk licht, maar de wanhoop. Zij steeg op als een ballonnetje en bleef tegen het plafond hangen.

Ik hield een aarzelend gesprek op gang over aambeien. Mijn bijdrage luidde, ,,aambeien zijn net zoiets als keelamandelen; je haalt ze weg met een schaar.''

Blijkbaar hield mijn moeder van mannen met aambeien, iedereen zoekt de periferie ergens anders.

Ik speelde de zoon van mijn moeder, maar ik was al eens beter op dreef geweest.

Wij gingen aan tafel.

Mijn moeder rende als een atlete, want zij vreest dat haar mannen hongerig het huis zullen verlaten.

,,Zo,'' zei een van haar mannen. ,,dus nu is de familie compleet?''

Als wij een familie waren, dan toch wel een zeer experimentele.

Mijn moeder sneed het vlees. ,,Ik heb speciaal voor hem een nieuwe douchekop gekocht,'' zei ze met harde stem, ,,hij houdt van een harde straal.''

De mannen keken geïnteresseerd mijn kant uit, Zo, zo, zag ik ze denken, de schrijver houdt van een harde straal.

Ik kromp steeds verder ineen, maar er was hier geen nooduitgang. Ik moest nog even familielid blijven spelen.

,,Ik houd ook van een harde straal,'' zei de jongste van mijn moeders mannen, ,,maar in Amsterdam is de waterdruk niet sterk genoeg, dus aan een douchekop heb je niets.''

,,Hij heeft drie standen,'' zei mijn moeder en deelde royaal vlees uit. ,,Jullie moeten na het eten maar even kijken.''

Inderdaad na het eten beklom het gezelschap de trap om de douchekop van mijn moeder te bewonderen.

Onderaan de trap fluisterde mijn moeder, ,,wees maar een beetje aardig voor meneer Z, hij zweeft op het randje van de dood.''

Ook de stervenden brachten nog interesse op voor douchekoppen. Ik verbaasde me nergens meer over, ik verlangde alleen nog naar de kleedkamer om me af te schminken.

En terwijl mijn moeder haar douchekop demonstreerde, begon ik mij af te vragen hoe het komt dat je niet voor je eigen geluk durft te kiezen. Dat je zelfs alles doet om het te ontlopen, zodat je het ook niet hoeft te verliezen.