Bibliotheken moeten uitgevers snel de wacht aanzeggen

Uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften hebben nimmer geschroomd hun machtspositie terzake van het bepalen van de prijs uit te buiten. De budgetten van de afnemers, zoals (universiteits)bibliotheken, zijn niet navenant gestegen en zij worden gedwongen abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften op te zeggen. Het wordt tijd dat zij zich aan de wurggreep van de uitgevers ontrrekken, vindt N. Verhagen.

Bibliotheken hebben zich gedurende een reeks van eeuwen ontwikkeld als opslagplaatsen van en toegangspoorten tot grote hoeveelheden informatie. Geleidelijk aan heeft een zekere specialisatie plaatsgevonden, waardoor bijvoorbeeld de openbare bibliotheken, de wetenschappelijke- en de nationale bibliotheken zijn ontstaan. Bibliotheken zijn tegenwoordig veelal grote, complexe en ook dure organisaties, waarin de belanghebbende organisaties veel geld steken. Zij zijn vaak de trots van hun `eigenaren' – anders dan vroeger zijn dat over het algemeen geen particulieren, maar publieke of anderszins aan de overheid geparenteerde instellingen. Algemeen worden bibliotheken vandaag de dag beschouwd als voorzieningen die een centrale rol spelen in de informatievoorziening van `het publiek', of dat nu de bevolking van een stad of de gemeenschap van een universiteit is.

Wetenschappelijke bibliotheken, en meer in het bijzonder universiteitsbibliotheken, spelen een essentiële rol in de ontwikkeling van de wetenschap omdat zij hun `klanten' op een gestructureerde manier toegang verschaffen tot grote hoeveelheden wetenschappelijke informatie. Die wetenschappelijke informatie komt overigens ook juist aan universiteiten tot stand: onderzoekers die aan de universiteiten verbonden zijn, produceren een continue stroom van nieuwe informatie, die ook weer zijn weg vindt naar de bibliotheken en daar weer ontsloten, beschikbaar gesteld en bewaard wordt ten behoeve van onderwijs en onderzoek.

Nieuwe wetenschappelijke kennis en inzichten op het gebied van met name de technische, natuurwetenschappelijke en medische disciplines worden openbaar gemaakt via (wetenschappelijke) tijdschriften. Universiteitsbibliotheken zijn dan ook in de loop der jaren steeds meer geld gaan uitgeven aan deze tijdschriften. De stijgende uitgaven worden echter niet alleen veroorzaakt doordat steeds meer in tijdschriften gepubliceerd wordt, maar ook omdat de prijzen van veel wetenschappelijke tijdschriften exorbitant gestegen zijn.

Uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften hebben zich namelijk gerealiseerd dat de door hen verspreide informatie voor bibliotheken een onmisbaar goed vormt: als bibliotheken niet meer beschikken over de laatste wetenschappelijke informatie verliezen zij immers hun betekenis als informatiebron voor de gemeenschap waarvoor zij werken en door wie zij betaald worden. Daarenboven zijn de producenten van wetenschappelijke informatie, de onderzoekers, voor openbaarmaking van hun vondsten en (uit)vindingen in hoge mate afhankelijk van publicatie in (bepaalde) tijdschriften. Uitgevers zorgen voor beoordeling en selectie van publicaties en vormen zo een soort garantie voor de `hardheid' van de in tijdschriften opgenomen artikelen. Ook hierbij worden weer aan universiteiten verbonden medewerkers ingeschakeld als redactieleden of vakreferenten.

Zo bezien komen de uitgevers nogal goedkoop aan de artikelen in hun tijdschriften (soms moet de auteur zelfs betalen voor opname) en kunnen zij vervolgens zelf de prijs bepalen waarvoor zij die artikelen weer aan belanghebbenden (en dat zijn vaak dezelfden als de producenten daarvan) beschikbaar stellen. Dat laatste doen zij dan ook: alleen al de afgelopen vier jaar zijn de prijzen van veel tijdschriften tussen de 50 en 100 procent gestegen. En dit is niet iets van de laatste paar jaar: het speelt al vanaf het begin van de jaren '80. De grote commerciële uitgevers hebben vrijwel zonder uitzondering de afgelopen decennia hun machtspositie ten aanzien van zowel de producenten als de consumenten van informatie dan ook danig uitgebuit. De bibliotheken, en indirect de hele wetenschappelijke wereld, hebben dit betrekkelijk gelaten over zich heen laten komen, als betrof het een natuurverschijnsel. Tegelijk zijn de budgetten van de universiteiten en van de universiteitsbibliotheken natuurlijk niet in hetzelfde tempo gegroeid. Dit heeft ertoe geleid dat bibliotheken massaal abonnementen hebben moeten opzeggen, minder andere materialen (zoals boeken) konden aanschaffen – kortom dat de informatievoorziening in belangrijke mate is verschraald. Desondanks zijn de uitgaven voor wetenschappelijke tijdschriften blijven stijgen.

Voor de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam zijn deze kosten, ondanks opzeggingen, in enkele jaren gestegen van ongeveer 3,5 miljoen naar 4,5 miljoen gulden. Voor het volgend jaar is een stijging naar 5,5 miljoen gulden te voorzien. Voor de universiteiten in de ontwikkelingslanden is een groot deel van de wetenschappelijke informatie allang letterlijk onbereikbaar geworden. Wij zitten middenin het proces van digitalisering van (wetenschappelijke) informatie en (wetenschappelijke) tijdschriften. De eerste tekenen zijn weinig hoopgevend: ook hier dreigen de uitgevers de bibliotheken in een soort wurggreep te nemen. Het is voor bibliotheken onmogelijk om tegemoet te komen aan de financiële eisen van de uitgevers. Daardoor is nu al sprake van stagnatie in de ontwikkeling van de digitale informatievoorziening, hoewel die in veel opzichten voor alle betrokkenen een grote stap voorwaarts zou betekenen, en de technische mogelijkheden ervoor op veel plaatsen voorhanden zijn.

Dit is natuurlijk een doodlopende weg. Zelfs uitgevers beginnen dat in te zien, getuige de aankondiging van Elsevier Science om de prijsstijging van haar tijdschriften voor het jaar 2000 te beperken tot 7,5 procent en in de volgende twee jaar tot minder dan 10 procent. In de ogen van de uitgever is dat kennelijk al een hele concessie, die door andere commerciële uitgevers bij mijn weten dan ook nog niet is overgenomen. Niettemin is dit gebaar onvoldoende – een prijsverlaging zou op zijn plaats zijn.

Zolang die uitblijft staat de bibliotheken geen andere weg open dan een `kopersstaking': uiteindelijk is dat het enige middel om de uitgevers tot bedaren te brengen. Kennelijk slaagt de wetenschappelijke wereld er op een andere manier niet in zich aan de greep van de uitgevers te ontworstelen. Het is van groot belang dat die wetenschappelijke wereld de uitgevers herinnert aan hun medeverantwoordelijkheid voor en hun plaats in een goed functionerende wetenschappelijke informatie-uitwisseling. De bibliotheken moeten weigeren nog langer prijsstijgingen van de commerciële uitgevers te accepteren, die uitgaan boven het inflatieniveau. Wisselkoersfluctuaties (dollar en pond zijn momenteel duur) kunnen een rol spelen, maar in het verleden hebben dalende wisselkoersen ook niet geleid tot prijsdalingen. Bibliotheken zijn immers voor de uitgevers een belangrijke marktpartij, die niet straffeloos genegeerd kan worden.

N. Verhagen is hoofd van de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.