Aan een huilerig gedicht heeft niemand iets

Het gr gr in gras en groeien en `ik graaf en graaf' moet grommen: `Het maakt me kwaad dat mensen allemaal doodgaan.' Derde levering in een korte serie gesprekken met dichters over een eigen gedicht.

`Tuinman en dood' heet een gedicht van Anneke Brassinga uit haar bundel Huisraad (1998). Het is een bundel vol dood en rouw, dikwijls niet van de berustende soort. In een essay schreef ze: `En juist rouw, de dieptebom van de dood die een krater slaat, een bloedende krater om even een zeer onmatige beeldspraak te gebruiken, juist rouw sluit elk verlangen uit om het moede hoofd neer te leggen en heeft als vitale component een hevig en pijnlijk besef hoezeer men zelf nabestaand en levend is.' Zo'n vitale dieptebom is dit gedicht.

De titel alludeert op het gedicht van P.N. van Eyck `De tuinman en de dood' maar dan zonder lidwoorden. Waarom moesten die weg?

Dat gedicht van Van Eyck is wijs en koel, en dit gedicht moest een beetje bars klinken, een beetje cru. Eigenlijk vind ik dat gedicht van Van Eyck tè kalm. Dat is allemaal retoriek van het noodlot. We hadden een vriendin begraven en zelf het graf dichtgegooid, dan dek je iemand lief toe, dat lijkt vredig, en tegelijk ben je kwaad dat iemand dood moest. En als ik kwaad ben ga ik rare grappen maken. Tuinman en dood is ook zoiets als `leven' en dood, en klinkt heviger dan met lidwoorden, net als die b's van buil en barsten, die zijn ontzettend goed voor de boosheid. `Kan barsten' is ook een verwensing. `Barst!'. Die buil kan dan een pestbuil of een kankergezwel zijn, iets waarin de verschrikking is samengebald en dat dan barst. Dan barst de bom.

Vervolgens schrijft u `pas geeft' alsof we hier met goede manieren bezig zijn.

Je moet dat hevige een beetje terugnemen. Je kunt een kerkhof ook zien als de tuin van de dood. En `hij heb een tuin op z'n buik' is een Bargoense uitdrukking voor hij is begraven, dood. Die schoot me te binnen.

Het is een cru gedicht hoor. Maar misschien is het wanhopig genoeg. Ik wil geen sentimentele gedichten schrijven dus dan word ik van de weeromstuit gewrongen. Hoe bizarder de dingen zijn die je van de plank haalt, hoe minder huilerig het wordt. Niemand heeft iets aan een huilerig gedicht. Nu ja, niemand heeft ook iets aan dit gedicht. Als het maar een ding uit één stuk is. Het maakt me kwaad dat mensen allemaal doodgaan. Vandaar die klanken van buil en buik met die ui's van huilen en het grommende van gras en groeien en later `graaf en graaf'.

Is dat nagestreefd?

Dat gaat vanzelf geloof ik. Ik heb niet gedacht: ik moet een soort effect behalen. Het zijn de enige middelen die je hebt, die prikkelige woorden doen zich voor omdat je niets anders hebt te stellen tegenover dit feit. Maar die `solide spade', daarin vind ik die ss-en wel fijn. Die spade is per definitie solide. Dat is wel een opzettelijke verheviging, een schepje erbovenop.

Waarom moesten de eerste twee regels daar ophouden?

Die regels eindigen nu respectievelijk op `buik' en `darmen', dat bepaalt de graad van akeligheid misschien. Als je zou ophouden na `geeft' wordt het meer een klankenreeksje, met buik en tuintje. Ik heb een soort regel dat een regel op eigen benen moet staan, los moet kunnen worden gelezen, maar in dit gedicht kon ik zelf amper op eigen benen staan.

Waar komt Prikkebeen ineens vandaan?

Ik denk om het allemaal een beetje af te leiden, even onschuldig teruggrijpen op een kinderboek. Het komt misschien ook omdat ik zelf nogal een prikkebeens model heb en een pandjesjas heb ik ook. (Ze loopt weg en komt terug in een zwarte jas met lange panden. Een stok dient als vlindernet waarmee ze prikkebeens door de kamer jaagt.) Het wordt zo wel erg autobiografisch. Prikkebeen is een bezetene, en zo kun je ook bezeten jagen op het weinige dat er nog is.

Hoe jaagt iemand op as? As is niet zo voortvluchtig.

Wel als het door de lucht warrelt. Hier is het trouwens zinnebeeldig want er is begraven, niet gecremeerd. Het wordt ook gevolgd door die schimmen die voor geen gat te vangen zijn, wat je ook doet, je kunt ze niet meer omhelzen.

U maakt graag gebruik van staande uitdrukkingen: `de bom barstte', `zand erover', `er geen gras over laten groeien', `voor geen gat te vangen'. Wat is de aantrekkingskracht daarvan?

Je kunt ze zo leuk ombuigen, als ijzerdraad. Je kunt ze terugbrengen naar hun letterlijke betekenis. Misschien gebruik ik ze zoals een ander versvormen gebruikt, als stramien, het is een soort materiaal. Misschien is het heel goedkoop om dat te doen, het kan melig worden. Ik dacht dat het hier wel kon.

Als je het eerste stuk van dit gedicht leest, dan is het volgens mij knap obscuur. Een gedicht moet een kernzin hebben. Ik denk dat `De schimmen zijn voor geen enkel gat te vangen' een mooi helder middenbeeld is. Dat het gaat over die schimmen, niet over het graven en het jagen op as het gaat erom dat er verdwenen mensen zijn die je nooit meer terugziet. Je kunt ook wel schrijven: `ik mis haar zo, zoals ze nu op de koude schouw bij kaarslicht staat' etc. Maar dan is het geen gedicht meer vrees ik.

Waarom is het een `koude' schouw?

Omdat het altijd erg koud is als iemand dood is. Omdat haar warmtebron er niet meer is. Koud is ook een woord voor dood: ik zal je koud maken. En schouw heeft de associatie van schoorsteen, as. Het is de plaats waar urnen staan, en foto's.Er staan veel `ou's in dit gedicht.

Het doet ook pijn.

Dit gedicht is een soort rijmloos sonnet, inclusief wending na de twee eerste strofes. Was dat van het begin af aan zo?

Ja ik dacht: ik ga nu een nepsonnet schrijven, dus met volta. Om een of andere perverse reden vond ik dat wel leuk. Het is een mooie vorm, ik vind dat een gedicht er mooi bij moet liggen. Maar ik zou nooit een echt sonnet schrijven. Dat doen andere mensen al.

Wat gebeurt er als het voor altijd Allerzielen is?

Allerzielen is op 2 november, in zuidelijker landen gaat men dan naar het kerkhof om de doden te bezoeken. Ik had dat net meegemaakt in Bretagne, iedereen kwam daar met geweldige potten lichtgevende chrysanten aan. Als het voor altijd Allerzielen is, dan blijft het altijd gedenkdag van de doden. Ze zijn alleen niet op het kerkhof, je weet niet waar ze zijn. Ja, in mijn kop en mijn ziel, maar waar zijn ze in hun eigen vorm?

Dat `ik graaf en graaf' is dus vanwege gr gr, maar niet alleen daarom neem ik aan.

Ik kan de doden niet met rust laten door niet meer aan ze te denken. Ik merk dat ik altijd in gesprek blijf met ze, zij het eenzijdig. Je graaft in jezelf om de dood te kunnen behappen. Daarom schrijf ik erover.

`Keien zaaien' is een verwijzing naar de mythe van Deucalion en Pyrrha, de enige twee overlevenden van de zondvloed, die de opdracht krijgen om stenen over hun schouder te gooien, dan komen daar weer mensen uit. Hoe komen die hier terecht?

Uit Ovidius. En uit dat `graven' als je in een akker graaft dan stikt het altijd van de keien. Ik moest hier in het gedicht iets gooien, omdat er allemaal bewegingen in zitten, zand werpen, jagen, graven. Ik vond het zo'n mooi beeld, die twee, helemaal alleen op een lege aarde, die stenen achter zich werpen. Een kei is wel het onvruchtbaarste wat je kunt zaaien. Maar je kunt toch minstens de opstanding verwachten, al geloof ik natuurlijk niet dat die zal plaatsvinden. Het is retorische wanhoop.

U schrijft `opstaan' niet `opstanding'.

Dat was een te lang woord, en bovendien wilde ik het zien gebeuren. Opstanding is symbolisch, ik wilde het letterlijk. Dat lees je ook in Ovidius, de mensen maken zich langzaam los uit de grond. Dat is allemaal heel concreet. Als ik maar in mijn woede genoeg keien achter me werp. `Hoeveel nog', daar zit ook iets in van: dit gaat verdomme nog tientallen jaren zo door.

U schrijft `verwachtend' niet `hopend' of zo. Dat klinkt heel stellig.

Verwachtend is meer eisend, hopend is meer dat je je onderwerpt aan het geloof dat iemand zo goed zal zijn om het te laten plaatsvinden. Maar ik loop daar die keien te zaaien, het heeft maar te gebeuren, anders hoefde ik dat niet te doen. Die bittere hagelslag komt toch wel, dat weet ik ook wel.

Veel mensen vinden bittere hagelslag heel lekker.

Ik ook. Maar er zit ook het slaan van hagel in, dat staat in Van Dale als eerste betekenis vermeld, en het WNT heeft de fraaie omschrijving: ,,het, snerpend en vernielend, slaan van den hagel'. Tegelijk is het een malle grap. Ik denk dat soms een grap wel goed is, juist om aan te geven hoe erg het is. De lezer die dat niet wil, kan een portie bittere hagelslag naar z'n kop krijgen. En het is ook futiel, hagelslag. De hagel die op mij neerdaalt bij iemands dood is ten opzichte van het universele sterven futiel. Het is de tegenstelling tussen dat het ondraaglijk is en dat het helemaal niks is. Daarom gaat het gedicht niet over die ene dode, maar om hoe in het algemeen de dood een schandaal is.