Van stoom naar stroom

Van het populaire beeld dat de Nederlandse economie na de Tweede Wereldoorlog in puin lag, laat de Groningse onderzoeker H.J. de Jong maar weinig heel. Ook de crisis in de jaren dertig liet Nederland volgens De Jong relatief onberoerd. In zijn boek `De Nederlandse industrie 1913-1965' schopt hij veel heilige huisjes omver.

In 1968 zette J.A. de Jonge met zijn dissertatie `De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914' de gangbare interpretatie van de sociale en economische ontwikkeling in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw radicaal op de helling. Dertig jaar later geeft de Groningse onderzoeker H.J. de Jong de aanzet voor een wellicht even verstrekkende herïnterpretatie van de twintigste eeuw.

De Jong laat een heel ander licht schijnen op bijvoorbeeld de crisisjaren, de oorlogsjaren en de wederopbouwfase. Met zijn lijvige boek maakt hij aannemelijk dat, wat betreft de economische ontwikkeling in Nederland, de Tweede Wereldoorlog niet als een echte breuk moet worden opgevat, maar dat er op veel gebieden van een grote mate van continuïteit sprake was. De Jong gebruikt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verzamelde en bewerkte productiestatistieken om tot een andere periodisering van de Nederlandse economische geschiedenis te komen.

Na een grondige analyse van de CBS-statistieken poneert De Jong de stelling dat er drie bijzondere perioden van de Nederlandse productiviteitsontwikkeling zijn aan te geven: 1913-1921, 1925-1935 en 1946-1950. In vergelijking met de ons omringende landen tonen de eerste twee perioden een groei van de productiviteit en de laatste een daling.

De Nederlandse industrie groeide tijdens en direct na de Eerste Wereldoorlog snel, zowel in de breedte als in de diepte. Met kunst en vliegwerk bleef Nederland tijdens deze oorlog neutraal. De belangrijkste effecten van de oorlogshandelingen op de Nederlandse economie waren enerzijds een toename van zowel de binnen- als buitenlandse vraag en anderzijds het wegvallen van de buitenlandse concurrentie.

Vooral tijdens de eerste oorlogsjaren behaalde de industrie zeer goede financiële resultaten. Na 1916 gooiden de stijgende grondstofprijzen roet in het eten. Maar de fabrikanten rekenden deze stijgingen zonder meer door in de afzetprijzen, hetgeen door de toenemende schaarste aan goederen goed mogelijk was. Bovendien bleven andere kosten – van bijvoorbeeld de lonen – achter bij de afzetprijzen. Door het vergaande ingrijpen van de overheid, met maximumprijzen, exportrestricties en distributiemaatregelen, bleef de stijging van de kosten van levensonderhoud beperkt.

Na de oorlog was er niet in alle opzichten een zonnig perspectief voor de industrie. Twee vraagstukken verhitten de gemoederen in industrieel Nederland: de afzetproblemen ten gevolge van de valutadumping vanuit België, Duitsland en Frankrijk en de wettelijke verkorting van de arbeidstijd door de invoering van de 45-urige werkweek in 1920. Het eerste werd gezien als een vervelend, maar tijdelijk ongemak. Het tweede bleek voor de fabrikanten een ernstiger probleem. Door de wettelijke verkorting van de werkweek werden, bij een gelijkblijvend weekloon, de loonkosten voor de werkgevers hoger. Mede door een conjunctuuromslag halverwege 1920 kwam er toen een einde aan de snelle groei.

De Jong berekent dat de toename van de toegevoegde waarde in de industrie tussen 1913 en 1921 (omgerekend naar prijzen van 1913) ruim 72 procent bedroeg, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse stijging van bijna 6,5 procent. De toename van de werkgelegenheid komt uit op 21 procent (gemiddelde jaarlijkse groeivoet 3,5 procent).

Doordat De Jong de gang van zaken in de industrie beoordeelt aan de hand van de toegevoegde waarde, en niet het grondstoffenverbruik, de omzet of het aantal arbeidskrachten als toetsingskader hanteert, komt hij ook voor de crisisjaren tot andere conclusies dan in de gangbare literatuur. Uit de gepresenteerde cijfers blijkt duidelijk dat niet alle industrieën even zwaar door de crisis werden getroffen. Bij tien van de zeventien industrieën waarvan cijfers beschikbaar zijn, was gedurende de crisis van de jaren dertig het productievolume in geen enkel jaar lager dan in 1928. Tot de minderheid waarbij een daling geconstateerd werd, hoorden echter wel de grootste industrieën, zoals de scheepsbouw en de katoenindustrie.

De reële arbeidsproductiviteit bleef na 1929 stijgen, zelfs in een hoger tempo dan in de jaren twintig. In 1935, het jaar dat doorgaans als het dieptepunt in de crisis wordt beschouwd, werd een tussenoorlogs hoogtepunt bereikt. De Jong zoekt de verklaring vooral in de omvangrijke uitstoot van arbeid, of in de terminologie die hij prefereert: een substitutie van kapitaal voor arbeid. Met enkele statistische hoogstandjes wordt aannemelijk gemaakt dat, ondanks de voortdurende daling van de nominale arbeidskosten, de prijzen voor kapitaal en de kapitaalkosten nog sneller daalden.

De inkrimping van het personeelsbestand was vooral mogelijk doordat in de Nederlandse industrie de elektrificatie zich in een snel tempo voltrok (zelfs gelijktijdig en in hetzelfde tempo als in de Verenigde Staten). In een boeiend hoofdstuk wordt beschreven dat de vervanging van de stoommachine door vele afzonderlijke elektromotoren een geweldige besparing opleverde. Omdat het systeem van krachtoverbrenging niet meer allesbepalend was voor de indeling van de fabriek ontstond een grotere flexibiliteit bij de fabrieksbouw en -indeling. Er kon nu met lichtere fabrieksconstructies gewerkt worden. Onderhoud werd ook simpeler en goedkoper, omdat in voorkomende gevallen niet langer het gehele aandrijfsysteem behoefde te worden stilgelegd. De betekenis van deze nieuwe, meer flexibele manier van werken wordt door De Jong op één lijn gesteld met de introductie van de stoommachine in de achttiende en negentiende eeuw en de automatisering en computerisering in de tweede helft van de twintigste eeuw.

De ontwikkelingen tijdens de jaren dertig en veertig brengen een allengs groeiende regulering met zich mee. Tijdens de twintigste eeuw is de overheidsinmenging in de economie nooit zo groot geweest als in deze periode. De Jong ziet deze jaren als een periode van soms straffe overheidsbemoeienis, eerst als antwoord op de crisis, vervolgens als voorbereiding op de oorlog en ten slotte als consequentie van de bezetting.

Bij zijn behandeling van de gang van zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog schopt H.J. de Jong heftig tegen historiografische heilige huisjes, met name die welke opgetrokken zijn door zijn naamgenoot Loe. Uitvoerig wordt uit de doeken gedaan dat de kapitaalgoederenvoorraad van de industrie tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog is toegenomen. Het Nederlandse productieapparaat heeft weliswaar te lijden gehad van oorlog en bezetting, maar de populaire voorstelling als zou het land na de oorlog in puin hebben gelegen is, volgens De Jong jr, op zijn zachtst gezegd misleidend. Per saldo blijkt het productieve apparaat in 1948 weer op het niveau van 1938 te zijn. De industriële productie bereikt in 1947 reeds het niveau van 1938.

De Jong gooit, bij de bespreking van de industrialisatie in de jaren vijftig, voor de derde keer een knuppel in het hoenderhok. Hij stelt dat de industriële ontwikkeling gedurende de jaren vijftig in grote lijnen een voortzetting was volgens het ontwikkelingspatroon dat er voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond. De onder de contingentering groot geworden industrieën konden hun importvervangende productie ook na de oorlog voortzetten (bijvoorbeeld van kleding en schoeisel). De tijdens de bezettingsjaren verder uitgebouwde metaalindustrieën behoorden na de bevrijding tot de eerste bedrijven die het vooroorlogse productieniveau weer haalden.

De periode van sterke overheidsregulering en -interventie (1931-1949) viel samen met een verslechtering van de internationale handelspositie van Nederland, een langdurige daling van de reële lonen en een zeer snelle groei van de werkgelegenheid in de industrie. Dit bevorderde de groei van de industriële sector, maar ging ten koste van de productiviteit; pas in 1954 werd het niveau van 1938 weer voor het eerst gehaald.

Vanuit dit perspectief is er dus een zekere continuïteit aanwezig in de ontwikkelingen gedurende de jaren dertig en veertig. Deze werden gekenmerkt door contingenteringen, loon- en prijscontroles, vestigingswetgeving en het toestaan van kartels. De regulering tijdens de bezetting en de eerste naoorlogse jaren versterkte deze situatie. In veel economisch-historische handboeken wordt de naoorlogse periode gezien als het tijdperk waarin de overheid een grotere greep op de economie kreeg. In zijn recente studie over de economische geschiedenis van Nederland van 1914 tot 1995, `Een klein land in de 20e eeuw', ziet de Utrechtse hoogleraar J.L. van Zanden de toenemende leidende rol van de overheid na de Tweede Wereldoorlog zelfs als een van de drie centrale langetermijnontwikkelingen in de Nederlandse economie. De Jong ziet het geheel anders: in Nederland was die directe greep juist voor, tijdens en vlak na de oorlog (tussen 1930 en 1950) zeer sterk geweest. Daarna werd deze losser.

Geheel in de lijn van deze redenering ligt ook de ontzenuwing van de betekenis van de heilzame effecten die van de loon- en industrialisatiepolitiek in de jaren vijftig zouden zijn uitgegaan. De Jong becijfert dat de geleide loonpolitiek tijdens en vlak na de oorlog de grootste effecten sorteerde. De loonmatiging was dermate effectief dat rond 1950 de loonontwikkeling sterk achterbleef bij de ontwikkeling van de gemiddelde productiviteit. Gedurende de jaren vijftig was het groeitempo van de reële lonen gelijk aan dat van de arbeidsproductiviteit.

Door de bestendiging van het vóór 1950 ontstane verschil van loon- en productiviteitsniveaus konden de ondernemers gedurende de naoorlogse periode een uitzonderlijk grote winst- en investeringsmarge handhaven. De Jong schrijft de werkgelegenheids- en productiviteitsgroei in dit decennium vooral hieraan toe en hij ontkent dat deze het effect waren van een uitgekiend industrialisatiebeleid. Het programma van de industrialisatiepolitiek (beginnend met de fameuze Nota inzake de Industrialisatie van Nederland van minister Van den Brink) was niet afgestemd op een snelle verhoging van de mechanisatie in de industrie. De politiek van de lage lonen bevorderde immers geen buitengewone substitutie van kapitaal voor arbeid. Daarmee liep de industrialisatiepolitiek letterlijk en figuurlijk achter de feiten aan.

Het mag duidelijk zijn geworden dat H.J. de Jong grossiert in krasse uitspraken. Zijn boek draagt een erg uitdagend karakter. Hij valt het werk van zo veel historici en economen aan dat zijn boek `De Nederlandse industrie 1913-1965' de komende jaren ongetwijfeld zelf in de vuurlinie zal komen te liggen.

Ook om een geheel andere reden markeert dit boek een trend in de geschiedschrijving: de `klassenstrijd' als object van historisch onderzoek is morsdood. In deze studie naar de industrialisatie in Nederland ontbreken namelijk de arbeiders. Er wordt in het hele boek meer gesproken over `de productiefactor arbeid' dan over `arbeiders'. Nergens, maar dan ook echt helemaal nergens hoor je het geratel van machines of ruikt het naar olie en smeer. De auteur doet geen enkele poging de door hem beschreven ontwikkelingen een menselijk gezicht te geven. Op bijna onderkoelde wijze beschrijft De Jong het rationaliseringsproces in de Twentse katoenindustrie. De lezer moet maar raden wat voor leed en ellende er schuilt achter een zinnetje als ,,Jannink haalde met de bestaande (omgebouwde) getouwen in 1931 dezelfde productie met dertig procent minder arbeiders''.

Tussen de regels door lees ik dat De Jong in feite de door de ondernemers gehanteerde argumenten en ingenomen standpunten rechtvaardigt. Zij, en niet de overheid of vakbonden, sloegen in de bestudeerde periode de spijker op de kop. Dit boek, met deze impliciete positionering, is uitgegeven door het Nederlands Economisch-Historisch Archief. Deze instelling huist onder één dak met het IISG, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Beide in de jaren dertig opgerichte onderzoeksinstellingen hadden hun wortels in de sociaal-democratie. Dat de Stichting beheer IISG de uitgave en distributie van het besproken boek voor haar rekening neemt geeft aan dat men ook in deze kringen ideologische principes ondergeschikt maakt aan wetenschappelijke pretenties.

H.J. de Jong, De Nederlandse industrie 1913-1965. Een vergelijkende analyse op basis van de productiestatistieken (Amsterdam, 1999) NEHA-series III deel 29; ISBN 90 5742 021 X; 520 blz.; prijs 69,90.