Trou moet blijcken

't Geheim der jeugd

Het was een stille en afgetrokken jongen;

En eenzaam kon hij uren staan te dromen,

Waar andren met de vogels in de bomen

Het jubellied van hunne lente zongen.

En als wij hem tot mede-juichen drongen,

En vroegen wat zijn blijdschap had ontnomen,

Verschoot hij en verried een pijnlijk schromen.

Het was een stille en afgetrokken jongen.

Na jaren zag ik d'oude makker weder,

Een kunstnaar thans, wiens rijk begaafde veder

Zijn naam alom met hoge roem verspreidde.

Hij groette mij een glimlach om de lippen

En liet zich dra 't geheim der jeugd ontglippen:

`'k Win nu de kost voor mij en moeder beide!'

W. de Veer S.J. ( ? - ? )

't Zal een beroepsdeformatie zijn, maar ik ben altijd nieuwsgierig naar dichters, of ze nu dood zijn of levend, van wie ik nog nooit heb gehoord. Al denk je ze bijna allemaal te hebben gelezen, rijp en groen, er duikt steeds weer zo'n dichter op. Een lokale grootheid, een verdwaalde grootheid, een gekleineerde grootheid – op een dag zit er een onder je vlindernet.

Ik liep op de Deventer boekenmarkt en zag een bundel Gedichten liggen van W. de Veer S.J. Nooit van gehoord! Ik kende een hoog en droog vergeten dichter als J.H. de Veer, zeker, en een Hendrik de Veer. Toch was deze bundel van W. de Veer S.J. al een derde, vermeerderde druk. Is 't mogelijk? Ik sloeg het blauwe, duidelijk uit de jaren rondom de eeuwwisseling daterende bandje open en de eerste regel waar mijn blik op viel was

Het was een stille en afgetrokken jongen –

Toen was ik definitief verkocht. Het idee dat een jezuïetenpater ooit deze regel voor zich had zitten uitmijmeren zonder ergens erg in te hebben was opwindend. Hij had de regel nota bene nog herhaald.

Zo kon je, als je eenmaal de regel `O goede Dood wiens zuiver pijpen' had leren kennen, nooit meer onbevangen naar het hoofd van P.C. Boutens kijken. Kenden die woorden toen hun huidige hoofdbetekenis nog niet? Of waren die heren werkelijk zo wereldvreemd?

Hoe dan ook, de moderne lezer is niet in staat bij zulke dichtregels zijn naïveteit te herwinnen, nog met geen tien paardenkrachten, en al evenmin bij zulke volstrekt serieus bedoelde kinderrijmpjes als

Jozef hoefde nooit te vragen:

`Jezus, kom eens helpen zagen,

Veeg de krullen bij elkaar,'

Jezus kwam vanzelf wel klaar

– merkwaardig genoeg opnieuw iets uit de roomse hoek. En opnieuw iets in de seksuele sfeer.

Jaren geleden, in 1982, heeft Nop Maas eens een aantal van die staaltjes onvrijwillige humor verzameld onder de titel Bloomers. `Een bloomer ontstaat waar een naïeve auteur misbruikt wordt door een lezer met een dirty mind,' zo luidt de definitie van Nop Maas. Er komen ook in zijn Bloomers de nodige paters en dominees voor. Een mooie is Vos en haas van E. Laurillard, dat aldus begint

't Haasje speelt met zijn geslacht,

Tussen gras en blaren;

En met valse blik ligt vos

De onschuld aan te staren

– nu, met mijn stille en afgetrokken jongen had ik er een bloomer bij. Al zou je ook duizendmaal beseffen dat je een dichter een onbedoelde betekenis in de schoenen schuift, de argwaan is gewekt. Ik begon verder te bladeren in de Gedichten van de jezuïetenpater, op zoek naar biografisch houvast.

Wie was W. de Veer S.J.? Ik had alleen de bundel om op af te gaan. Hij heeft nogal wat gedichten geschreven over zijn moeder en over het smartelijk verlies van zijn moeder. Hij schrijft een gedicht bij de dood van Alberdingk Thijm, de voorman van de katholieke culturele emancipatie. Hij schrijft een gedicht op de tachtigste verjaardag van de niet zeer paapse dominee Nicolaas Beets. Hij is dus duidelijk geen reactionaire katholiek uit de achterlanden van het toenmalige Limburg. Zijn bundel is trouwens verschenen in Amsterdam. Op de band staat H.G. van Alfen als uitgever vermeld en op de titelpagina J.S. de Haas, wat ook weer een verhaal is, al weet ik niet welk. De Veer schrijft af en toe een zintuiglijke en esthetische lyriek in de trant van Hélène Swarth, en zie in de bundel komt zelfs een aan Hélène Swarth opgedragen gedicht voor. Daarin prijst hij haar droeve mystiek en wondere taalmuziek. Zijn hoge opvatting van het kunstenaarschap, zo typerend en modern voor die periode, blijkt trouwens ook uit bijgaand 't Geheim der jeugd. Hij schrijft het wordt steeds intrigerender een gedicht met de veelzeggende titel Onbegrepen, waarin hij een arme jongeling schetst die zijn liefde `met niemand delen kon'. `En nimmer, ach, een hart dat hart verstond...' Waar de pater zich tenslotte het meest bloot geeft is in het korte gedichtje Onschuld

Ik kweekte een lieve lelie

Met wondre bladerkrans;

Ik minde een zachte jongling,

Lelie in onschuldglans.

Ach, jongling beide en lelie

Verwelkten na een poos:

De lelie voor één winter,

De jongling voor altoos...

– eventuele vergelijkingen tussen de lelie en de jongling met Maria en Jezus houden hier geen stand, dat is duidelijk. Het gedichtje moet óf een enorme totaal-bloomer zijn, met de onschuld van Laurillards spelende haasje, óf een homo-erotische coming out die in de Nederlandse literatuur van omstreeks 1900 nauwelijks zijn weerga kent. Ik hou het op allebei.

Nog één vraag. Waarom hebt u 55 jaar gewacht met het bewijzen van uw onschuld?