Tranen voor een beul

Zelfs na zijn dood vergde Josif Stalin nog slachtoffers. Niet alleen Lavrenti Beria, de chef van de geheime politie, moest het verscheiden van dé secretaris-generaal met de dood bekopen toen Nikita Chroesjtsjov het politiek net sloot, hem in een hinderlaag lokte en snel liet executeren. Daarvoor waren er ook al ongeveer 1500 gewone burgers gesneuveld: vertrapt in de rouwstoet te Moskou waarmee vijf miljoen sovjetburgers de laatste eer wilden bewijzen aan hun opgebaarde `leider'. Vitali Wolf overleefde de hysterische taferelen in maart 1953 wel. Maar ook hij huilde bij het afscheid, hoewel diens halve familie ten tijde van het stalinisme was geliquideerd. Achteraf lijkt het op een ,,seksuele perversie'', maar toen was het logisch dat iedereen het lijk wilde zien van een god die een kwart eeuw ,,angst én adoratie'' had ingeboezemd.

In Les deux morts de Joseph Staline laat regisseur William Karel ooggetuigen van een dubbele dood aan het woord. Het gaat volgens Karel om een tweevoudige sterven, omdat Stalin eerst echt overleed en vanaf 1956 ook politiek om zeep werd gebracht. Het resultaat is een merkwaardige film over een Byzantijnse cultuur, waarvan de sporen 1999 nog steeds traceerbaar zijn.

Karel begint met de mensen die erbij waren toen Stalin van 28 februari tot 5 maart in zijn buitenverblijf in Koentsevo na een alcoholische nacht dagenlang in coma lag, zonder dat zijn `kameraden' in het Politbureau hem medische hulp verschaften. De KGB'er Aleksei Rybin begrijpt nog steeds niet dat Beria en de anderen zijn baas zo konden verraden. Vervolgens komt de rouw aan bod. Onder andere via kleinzoon Aleksandr Boerdonski, voor wie opa eveneens een `mythe' was, en Chroesjtsjovs dochter Rada, die vertelt hoe omzichtig haar vader vanaf de zijlijn te werk ging om de vacante post van `secretaris-generaal' in bezit te nemen.

De nieuwe leiders maken alras een einde aan de publieke rouw. Het gebalsemde lijk wordt weliswaar naast Lenin gelegd, maar voor het overige wordt zijn naam zo min mogelijk genoemd. Totdat Chroesjtsjov de tijd rijp acht voor de politieke liquidatie van de man in wiens kielzog hij omhoog is geklommen. Het verhaal van diens privé-secretaris Pjotr Demitsjov over het krankzinnige 20e partijcongres van de CPSU in 1956, waar de partijleider zijn befaamde `rede' hield, is fascinerend. De herinneringen van Kremlin-grafdelver Fjodor Konjev, die vijf jaar later het stoffelijk overschot uit het mausoleum moet halen en achter de Kremlinmuur begraven, zijn welhaast ontroerend.

Dankzij hen heeft William Karel een gevoelig beeld geschetst van die tegenwoordig onbegrijpelijke maar desondanks nog altijd relevante paradox: namelijk dat ook slachtoffers waarachtig kunnen huilen om het lot van hun beul. Wie daarvoor de ogen wenst te sluiten, mist een rode draad uit de geschiedenis van Rusland.

Les deux morts de Joseph Staline, Ned.3, 23.40-0.38u.

    • Hubert Smeets