Iraniër mag praten over tijd in verzet

De Iraanse vluchteling Kariem Haggi Moni, voormalig lid van de verzetsbeweging Mujahedeen-E-Khalq kan door die beweging niet de mond worden gesnoerd. Dat heeft de president van de rechtbank in Arnhem vanochtend bepaald in een kort geding dat de in Den Haag gevestigde Vereniging van activisten van de Volks-Mujahedeen van Iran/Nederland tegen de man had aangespannen.

De vereniging had geëist dat Haggi Moni zich niet meer publiekelijk zodanig over de verzetsbeweging mocht uitlaten `dat de eer en de goede naam' van de Mujahedeen wordt aangetast.

Haggi Moni heeft in interviews met Nederlandse kranten gesteld dat de verzetsbeweging niets beter is dan het bewind in Iran zelf, dat zij op grote schaal mensenrechten schendt en onder andere betrokken is bij drugshandel. Hij heeft de beweging ervan beschuldigd bij hem thuis te hebben ingebroken, zijn woning te hebben vernield en hem te hebben geïntimideerd.

De rechtbank heeft in het vonnis de redenering van de raadsman van Haggi Moni, de Amsterdamse advocaat mr. H.J.M. Boukema, gevolgd die ter zitting stelde dat er sprake is van een politiek debat tussen de Mujahedeen en Haggi Moni. In een dergelijke situatie dient de rechtbank zich - anders dan wanneer de belangen van een privé-persoon aan de orde zijn - uiterst terughoudend op te stellen. Boukema baseert zich daarbij vooral op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Mocht iemand in zo'n politieke context toch een spreekverbod worden opgelegd, dan dient dat eerst aan een aantal criteria te worden getoetst, die uiteindelijk een `preventieve censuur' zou legitimeren. Volgens de rechtbank heeft Haggi Moni echter hetzelfde beweerd als de Amerikaanse en Nederlandse ministeries van Buitenlandse Zaken. ,,Het is niet passend in de Nederlandse verhoudingen dat handlangers van Saddam Hussein (de Mujahedeen resideert in Irak - red.) de Nederlandse rechter zo ver krijgen dat hun politieke critici de mond wordt gesnoerd,' aldus Boukema.