Idylle

Op zoele, zomerse namiddagen hoor je ze vaak tinkelen tussen de frambozen. In de schemering zie je ze soms vliegen, meestal blijkt het bij nader inzien een late vlinder of vroege mot. Maar vorige week zag, hoorde, sprak en zoende ik een wel zeer aanbiddelijk feetje tijdens mijn dagelijkse ommetje via het nog nagloeiende zandpad naar een intiem familiebegraafplaatsje, verborgen in het bos bij het teloorgegane landgoed Groot Hulze. Ze zweefde anderhalve meter boven de bebladerde aarde, een fulpen lichtkring rond haar ranke lijf dat in T-shirt, spijkerbroek en gympies was gehuld in plaats van een fijnnervig niemendalletje. Ik reciteerde bovenstaand versje van Cicely Mary Barker (1895-1973), benadrukte beschroomd de tussen haakjes staande opwekking. Ze bloosde tot ver boven heur haargrens. Plots kirde ze: `Help je rapen asjeblief? Ik moet er minstens veertig hebben; wil iets maken met wat hier om me heen ligt.'

Tijdens het zoeken en keuren, het gaat om beukennootnapjes, vertelde ze dat zij jaren geleden Cicely Mary Barkers `Flower Fairies of the Summer' erfde van een tante en sindsdien bij tijd en wijle in antiquariaten speurt naar de twee ontbrekende delen. Het lot wil dat die al meer dan dertig jaar in mijn boekenkast staan. Al die tijd zocht ik naar het zomerdeeltje. Je mag die van mij hebben, zei ik, dan zijn ze compleet. ”Néé gekkie, jij krijgt natuurlijk de mijne.' Ik probeerde uit te leggen dat de bundeltjes enerzijds bij haar horen en dat het anderzijds draait om de herkenning van schoonheid, dat zij als twee droppels water lijkt op Barkers beukennootelfje en dat ik liever haar zie dan de ruggetjes van twee boekjes waarvan de inhoud al lang en breed in mijn hoofd zit.

`Kwiebus, maffe kwast! Dromelot, onnozelaar, schijtebroek!' Nooit eerder zag ik een fee zo elegant in razernij ontsteken, met gebalde vuistjes watertrappelend in de lucht, terwijl de beukennootnapjes me om de oren vlogen. Lieve kolibrie, riep ik angstig, denk toch aan Gorter: `Hè, ik wou jij was de lucht/ dat ik je ademen kon/ en je zien in het hooge licht/ en door je gaan kon'.

`Fleemtong, druiloor, nu doe je het alwéér. Straks begin je nog te eikelen over het ruischen des sferen zang en dat je de sterren kunt horen fluisteren. Ik ben van vlees en bloed, helemaal geen elfje en zeker geen feetje. Paskwil, lapzwans, likkepot, labbekak, faamschender! Ik laat me niet door jou begekken! Ben je nou helemaal betoeterd.'

Zelfs als je boos bent vind ik je aanbiddelijk, jammerde ik. Waarop zij joelde: `Jij bent door de ratten besnuffeld, fataal vaak op je achterhoofd gevallen, rare gatlikker.' Daar bloosde ik op mijn beurt van, zij zou toch niet mijn gedachten... Kijven kon ze in elk geval als de beste: `Vuilak, eikelbijter, vlerk, hielenlikker, oorblazer, flikflooier, ogendienaar!'

Het schuim stond haar op de mond; ik bromde dat ze die met zeep uit moest spoelen. `Je weet donders goed dat ik daar allergisch voor ben, paljas, je zult me moeten schoonzoenen.'

Zo gezegd zo gedaan. Zoals verwacht rook ze naar melk en honing maar smaakte naar rijpe meloen met Ardenner ham van de fijnste kwaliteit. Na afloop zweefden we geheel verkwikt naar mijn appartement in het voormalige pand van de Keuringsdienst van Waren waar we sliepen als een dozijn ontdoornde rozen.