Het gekkenhuis luistert niet meer

De revolutie op Cuba is deze week veertig jaar oud. Het orkest van de revolutie speelt nog steeds. Maar de bewoners van het gekkenhuis luisteren niet meer.

In de vervallen straten is geen hoer meer te bekennen. De laatste maanden is Havana echt veranderd.

Dezelfde vergane glorie. Een afgebladderde stad, waarin alleen de leuzen van de revolutie opkleuren. `Venceremos' en `Viva Fidel' op elke straathoek. Al veertig jaar lang. Wat ontbreekt is het luidruchtige gezoem van vrouwen op zoek naar toeristen met een geldbuidel op hun buik. Geen illegale verkopers meer, geen Cubanen die praatjes willen over wat er in Amerika op televisie is; de prijs van kleurshampoo in Europa. Letterlijk uit elke straatsteen groeit nu een politieagent.

,,Meer politie dan spelende kinderen'', moppert de taxichauffer terwijl hij zijn Ford uit de jaren vijftig om een groep agenten heen laveert. ,,Hé, pas op hè'', roept hij naar twee jonge meisjes die met blote naveltjes verderop bij de bushalte staan. De chauffeur begint het beroemde tangonummer van Carlos Gardèl te zingen. `Twintig jaar jong'. Dan roept hij. ,,Maar twintig jaar achter de tralies is een lange hoor.'' Lachend ramt hij zijn auto in de volgende versnelling. ,,Echt, de mooiste vrouwen vind je tegenwoordig in het heropvoedingsgesticht.''

Deze week wordt de veertigste verjaardag van de Cubaanse revolutie gevierd. Parades, vlaggen, en opnieuw de urenlange toespraken van compañero Fidel Castro. De herdenking valt echter samen met een periode van grote repressie. Sinds begin dit jaar is er een campagne tegen criminaliteit en anti-sociaal gedrag. Iedereen die op de parallelle markt probeert een dollar bij te verdienen kan nu rekenen op zware straffen. En dat zijn bijna alle Cubanen. Omdat de staatsinkomens omgerekend gemiddeld 20 dollar per maand zijn. Omdat niemand daarvan kan leven.

Daarnaast zijn er nieuwe wetten om dissidenten de mond te snoeren. Iedereen die met woorden de nationale onafhankelijkheid van Cuba of zelfs de economie van het land `in gevaar' brengt kan rekenen op drie tot vijftien jaar gevangenisstraf. Volgens mensenrechtenorganisaties zijn er op dit moment rond 600 politieke gevangenen. Sinds het begin van dit jaar zijn er minstens zeven mensen geëxecuteerd.

,,Wie misdaden begaat is een collaborateur met de vijand die ons wil vernietigen, en daarmee zelf de vijand'', leest Francisco voor. Ik heb hem gedwongen de partijkrant Granma te kopen, Naar de redevoeringen van Fidel Castro luistert hij al jaren met de mute-knop aan. Verveeld slaat Francisco de bladzijden om. Ah, daar is een leuke: het congres van de Cubaanse vereniging van journalisten. ,,Alleen in Cuba wordt de waarheid geschreven'', zegt Fidel. Francisco vat het artikel samen. ,,Dankzij de revolutionaire pers heeft het volk zijn politieke cultuur.'' Lachend vouwt hij de krant tot een rolletje en zwiept ermee door de lucht. ,,Wist je dat?''

We lopen langs de Cubaanse luchtvaartmaatschappij. Hier geen plaatjes met mooie bestemmingen, aanbiedingen in de etalage. Alleen een tekst op de gevel: ,,Onze revolutie licht op als een vlam voor de ogen van de wereld.''

Zwijgend blijft Francisco staan. Hoe graag zou hij weg willen vliegen. Al was het maar voor een week. Iets van de wereld zien. Iets om te vergelijken. Maar dat kan niet op Cuba. Niet voor een gewoon niet-partijlid als hij. ,,Hoe kunnen we al die verhalen over de rest van de wereld nu geloven als niemand die wereld ooit ziet?'' Francisco schudt zijn hoofd: ,,Een gekkenhuis hier.''

Die middag zit ik op een terras vlakbij het ministerie van Volksgezondheid. Al drie dagen probeer ik de woordvoerster `buitenlandse gasten' van het ministerie te pakken te krijgen. Maar compañera Lidia is niet te bereiken. Ze is in vergadering, of aan de telefoon. Dan weer de hele dag op een partijbijeenkomst. Vandaag is ze al vanaf twaalf uur `s middags `lunchen'. Het is nu vijf uur.

Ik kijk naar de trage bewegingen waarmee mannen aan de overkant een nieuwe tekst aanbrengen op het partijkantoor. `Laten we een partij van staal maken', schat ik dat er komt te staan. Even later word ik uit mijn gepuzzel opgeschrikt door een grote Cubaan. Hij komt aan mijn tafeltje zitten, en valt met de deur in huis. Hij wil met me uit, zegt hij. Me de nachtclubs van Havanna laten zien. Als `artistiek manager' komt hij overal binnen. Ik schud van nee. Ik wil maar één ding: die vervloekte woordvoerster van het ministerie van Volksgezondheid spreken. En dát kan hij niet regelen.

In mijn tas zit het boek van de Argentijnse-Amerikaanse journalist Andres Oppenheimer, Castro's laatste uur. Het is al oud. Van vóór de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Maar ergens in dat boek beschrijft de journalist een ontmoeting met een Cubaanse violist. De musicus vertelde dat hij in het symfonie-orkest van de psychiatrische inrichting van Havana speelde. Al twintig jaar. ,,Ik wist niet of ik hier met een patiënt te maken had of een echte musicus'', schrijft Oppenheimer. De violist verzekerde de journalist echter dat hij niet gek was, maar een professionele musicus, afgestudeerd aan het conservatorium. Hij speelde in een orkest dat een jaar na de revolutie speciaal was opgericht om de patiënten van de psychiatrische inrichting te onderhouden. Vijfentachtig professionele musici die door de staat werden betaald, alleen om voor psychiatrische patiënten muziek te maken.

Bestaat dat orkest nog, wil ik nu van de woordvoerster weten. Het zal wel niet. Na het wegvallen van de Russische hulp is Cuba bankroet. Al tien jaar plakt het land de rafels aan elkaar. Vrachtwagens zijn vervangen door paard en wagen, en zelfs de alom geprezen gezondheidszorg ligt onderuit.

,,Of dat orkest nog bestaat of niet. Ik neem je morgen gewoon mee naar de psychiatrische inrichting'', belooft mijn tafelgenoot. ,,En daarna ga jij met me uit.'' De volgende ochtend staat hij stipt om negen uur voor de deur. In zijn Russische Lada rijden we de stad uit naar de inrichting. Bij de zwaarbewaakte poort stapt hij uit en spreekt met de bewakers. Tot mijn verbazing rijden we even later het terrein op. Niemand komt zomaar de psychiatrische inrichting van Havana binnen. Dit is het exclusieve domein van dr. Eduardo Bernabé. Een oude strijdmakker van Fidel, die 40 jaar geleden al het commando over de inrichting kreeg. Behalve patiënten herbergt de inrichting ook politieke gevangenen. Op Cuba is compañero Bernabé een begrip. Eén van de grote mannen van het regime.

Hoe kreeg mijn nieuwe Cubaanse vriend dit voor elkaar? ,,Ik zei je toch dat ik overal inkom'', grinnikt hij, terwijl hij zijn Lada langs afgebrokkelde paviljoens en roestige tralies laveert. Dan onthult hij dat hij de zoon is van een van de leden van het politburo. ,,Hoe laat spreken we af vanavond?''

De zoon parkeert op de centrale binnenplaats. En, daar is het. Nog steeds. Een volledig symfonie-orkest. Onder een betonnen afdak tussen de grasperken spelen ze Beethoven. Het klinkt fantastisch. Ook al zitten de orkestleden erbij als kinderen die elke dag spruitjes krijgen.

Ik stap uit de auto. Van publiek is geen sprake. Niet meer dan drie patiënten tel ik. Een man in een slobberige grijze pyjama drukt zijn handen op zijn oren. Een ander staart als een zoutpilaar in de lucht. Maar de derde doet mee. Ritmisch bonkt hij met zijn hoofd tegen een boom. Ta-ta-ta, boem. Ta-ta, boem.

Langzaam krijg het orkest in de gaten dat er publiek is. De trombone stoot de trompet aan, en die weer de viool. Ook de dirigent krijgt het door. Middenin Beethoven tikt hij met zijn stokje op de lessenaar. Stilte. Het geritsel van muziekbladen. De dirigent tikt nog eens en heft zijn armen: ,,Un, dos, tres...'' Dan barst het orkest los in een razende Tsjaikovski. De musici hangen nu niet meer achterover, maar spelen of het een première in de Scala van Milaan is. Ze strijken, blazen en paukeren, deinen mee op de maat. Voor twee man publiek. Want inmiddels is ook de laatste patiënt uit het gezicht verdwenen.

Als het voorbij is komen ze weer tevoorschijn, de patiënten. Aarzelend schuifelen ze over het terrein, terwijl de orkestleden hun boterhammenzakjes leegeten. De dirigent komt een praatje maken. Florencio Figuerón, stelt hij zich voor. Al 12 jaar leidt hij dit orkest. En wat blijkt. Het aantal orkestleden is de laatste jaren niet afgenomen, maar juist toegenomen. Honderdvijftien musici telt zijn orkest. ,,Muziek is goede therapie voor mensen met psychische problemen'', zegt de altsaxofonist, terwijl hij mechanisch zijn instrument inpakt. Al dertig jaar speelt hij in dit orkest. Wat zou hij in zijn professionele leven nu nog willen? Wat is zijn droom? De saxofonist veegt met een doekje over zijn kleppen. Dan zegt hij zacht: ``Dat de mensen ons orkest horen.''