Adel

Bent u van buitenlandse adellijke komaf en wilt u graag in de Nederlandse adel worden opgenomen? Helaas, u bent te laat. Sinds 1 augustus 1999 is een dergelijke `inlijving' niet meer mogelijk. Dit betekent dat de Nederlandse adel vanaf heden min of meer `bevroren' is: er kunnen geen nieuwe families meer bijkomen. `Verheffing', van oudsher een andere manier om tot de adel toe te treden, is al sinds 1953 onmogelijk. Het Koninklijk Huis vormt een uitzondering.

De adel is nu dus definitief voor nieuwkomers afgesloten. Het gevolg is dat het aantal adellijke families geleidelijk afneemt. Tot nu toe zijn er 268 geslachten uitgestorven van de 593 die sedert 1815 in de Nederlandse adel waren opgenomen. Van de overblijvende 325 families zullen binnen afzienbare tijd zo'n 40 bij gebrek aan mannelijke erfgenamen verdwijnen. Mannelijk ja, want het kind van een baron wordt baron of barones, maar het kind van een barones krijgt de adellijke titel van de moeder niet, ook al draagt het haar achternaam. Er zullen dus steeds minder adellijke families zijn, maar het aantal jonkheren/vrouwen, baronnen, baronessen, graven en gravinnen dat in ons land rondloopt – op dit moment zo'n 10.000 – zal min of meer constant blijven. Sommige (vooral katholieke) families zijn door het krijgen van veel kinderen fors uitgedijd.

De afgelopen weken hebben allerlei edelen, niet-edelen en bijna-edelen (die hun aanvrage tot inlijving voor 1 augustus hebben ingediend) zich publiekelijk opgewonden over het Nederlands adelsbeleid. De een spreekt van een `uitsterfbeleid', de ander wil dat adel wél via de vrouw wordt vererfd, een derde wil de adel privatiseren en er een soort vereniging van maken. Voor hen is de adel een aanlokkelijke groep, waar ze graag bij willen horen.

Hebben ze gelijk? Is het zo aanlokkelijk om edelman/vrouw te zijn? Een enquête die een aantal jaren geleden hierover onder honderd edelen (1 procent dus van de totale populatie) is gehouden, geeft hierop enkele antwoorden. De vraag of het voordelen heeft van adel te zijn beantwoordde 63 prcent met Ja. Als redenen gaf men: `Deuren gaan gemakkelijker voor je open', `hogere sociale status', `betere behandeling in hotels, e.d.', `je hebt entree in gelijke kringen in het buitenland'.

Zo'n 86 procent vond echter dat er ook nadelen aan de adellijke status zijn verbonden. Men wees vooral op de vooroordelen die er over de adel bestaan: adel is rijk; adel eet alleen kaviaar en kreeft; adel vindt zichzelf geweldig en is hooghartig. `We worden belachelijk gemaakt', klaagde er een. Een ander drukte het zo uit: `Men is jaloers op de status die men denkt dat je hebt en waarvan men vindt dat je die niet verdient.'

Maar ach, verzuchtte de meerderheid, je bént het gewoon. De een wordt geboren met een grote neus, de ander met een adellijke titel. Eén jonkheer wenste zich hier echter niet bij neer te leggen. Hij had naar eigen zeggen zo'n last van zijn status, dat hij de Hoge Raad van Adel verzocht ontadeld te worden. Inderdaad is zijn adeldom – een uniek geval! – in 1984 bij royement vervallen.

De vraag of edelen anders zijn dan anderen, of ze met andere woorden eigen, wezenlijke kenmerken hebben, werd door de helft met Ja beantwoord. Deze jazeggers noemden de volgende adellijke kenmerken: innerlijke beschaving; goede omgangsvormen; upper class taalgebruik; zekere klasse; edele principes; moed; grotere afstandelijkheid ten opzichte van de waan van de dag. Een noteerde dat zijns inziens de `protestantse adel meer pretenties heeft dan de katholieke adel.'

`Zoudt u afschaffing van de adel betreuren?' luidde een vraag. `Ja!', zei 75 procent. Waarom? `Adel afschaffen = verleden afschaffen', zei de een. En: `Er valt niets af te schaffen, want adel berust op afstamming die men niet kan afschaffen.'

Om terug te keren tot het begin: de laatste vraag luidde of men voor het creëren van nieuwe adel zou zijn. Neen, zei 63 procent. `De adel als geheel vormt geen aparte groep meer', vond men. Dus ook als het aan de adel ligt is het afgelopen. Geen jonkvrouwe Linda de Mol, geen baron Cruyff, zelfs geen graaf Kok.