Van der Leeuw

De reacties van Hans Blom en Ido de Haan (NRC Handelsblad, 27 juli) op Frénk van der Lindens beschouwing in het Zaterdags Bijvoegsel van 24 juli over Hans van der Leeuws `oorlogsverleden' waren mij uit het hart gegrepen. Ik wil mij dan ook niet in de discussie mengen over de vraag of Van der Leeuw zelf dan wel een ander beter een onderzoek naar de in verband met de arrestatie van vader en zoon Heine jegens hem geuite beschuldigingen had kunnen doen.

Weliswaar moet een goede lezer van Van der Lindens artikel concluderen dat dit onderzoek duidelijk Van der Leeuws onschuld aan het hem ten laste gelegde aantoont. Door een parallel te trekken met het onderzoek naar Aantjes' oorlogsverleden, suggereert Van der Linden echter dat Van der Leeuw net als Aantjes iets had te verbergen. En dat is nu juist niet het geval.

De beschuldiging dat Van der Leeuw niet alleen zijn eigen onderduikadres bij de familie Heine in Woudenberg had verraden plus ook nog eens de plek waar zich de door hem gedeponeerde clandestiene papieren bevonden, is niet alleen afdoende weerlegd door de dochter des huizes. Het zou ook beslist ongerijmd zijn als Van der Leeuw dit aan de Gestapo had verraden, in de hoop als beloning op vrije voeten te worden gesteld. Immers door aan de Duitsers te vertellen waar ze clandestiene papieren konden vinden, zou Van der Leeuw op zijn minst tegenover hen eigen betrokkenheid bij illegaal werk hebben gesuggereerd. In dat geval hadden ze hem zeker niet laten gaan.