Schadefonds kan bekender worden

Het aantal verzoeken om een uitkering bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven steeg het afgelopen jaar flink. Maar nog steeds verwijzen hulpverleners niet voldoende door, zegt adjunct-directeur P.H.Cremers.

Slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven kunnen voor materiële en immateriële schade een beroep doen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven, maar of ze van het bestaan daarvan weten is de vraag. Toen de Amsterdamse politie vorig jaar, naar aanleiding van een overval in een supermarkt, suggereerde dat het fonds over vele ongebruikte miljoenen beschikte en de media daar op indoken liep het ineens storm met de aanvragen. Het aantal verzoeken in het laatste trimester van '98 verdubbelde meteen. Over heel dat jaar genomen kwamen er 3.749 verzoeken binnen, 28 procent meer dan in het voorgaande jaar toen het aantal op 2.921 bleef steken. Overigens is er sprake van een sprongsgewijze, maar gestage stijging sinds het fonds in '77 met enkele honderden aanvragen begon.

Het geval met de Amsterdamse politie lijkt aan te tonen dat het fonds bij een behoorlijk deel van de doelgroep onbekend was, maar hoeveel slachtoffers de weg naar het fonds niet kennen kan niet bij benadering worden aangegeven, zegt P.H. Cremers, adjunct-directeur van het fonds. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt jaarlijks een kleine drie procent van de bevolking van 15 jaar en ouder slachtoffer van mishandeling of een seksueel delict, hetgeen neer zou komen op een aantal van pakweg 375.000 potentiële verzoekers. ,,Maar dan weet je nog niet of er sprake is van ernstig letsel - dat is een duidelijk criterium - en evenmin of die letselschade voor rekening van het slachtoffer blijft,'' aldus Cremers.

Feit is dat het aantal verzoeken vanaf het eind van de jaren tachtig fors is gaan stijgen, toen de maatschappelijke aandacht niet langer uitsluitend naar de dader ging, maar meer en meer belangstelling ontstond voor het slachtoffer. De wet van 1975, die ten grondslag ligt aan het fonds, werd in 1994 gewijzigd. De termijn waarbinnen een beroep op het fonds kan worden gedaan werd toen van zes maanden naar drie jaar opgerekt en de maximale uitkering verdubbeld, voor materiële schade hooguit 50.000 gulden, voor immateriële schade niet meer dan 20.000 gulden.

Cremers heeft het idee dat de `eerste lijn' (zoals politie, advocatuur en bureau's voor rechts- en slachtofferhulp) niet vaak genoeg verwijst naar het Schadefonds. ,,Het komt maar al te vaak voor dat mensen te laat met een verzoek komen. Dat hoeft overigens niet meteen een afwijzing op te leveren. Dan blijkt dat bijvoorbeeld hun advocaat indertijd niet heeft gewezen op de mogelijkheid schade-vergoeding te vragen bij het fonds. In zo'n geval bekijken we hoeveel we zouden hebben uitgekeerd als het slachtoffer in kwestie wel op tijd was geweest en voor dat bedrag wordt de advocaat dan aansprakelijk gesteld. Veelal draait diens verzekering daar dan voor op. Maar de advocaat dient zijn cliënt op de mogelijkheid van schadevergoeding te wijzen. Anders begaat hij een beroepsfout. Het staat immers in de wet.''

Wie een verzoek indient moet eerst een formulier invullen en zo mogelijk gegevens verstrekken over de strafrechtelijke gang van zaken - een afschrift van het proces verbaal is vaak al voldoende - en informatie geven van de behandelend arts. Dat `dossier' blijft - op dit moment - door krapte aan personeel acht maanden onberoerd. Vervolgens onderzoeken de juridische medewerkers van het fonds de zaak en voorzien dat van een advies en een concept-beslissing. Eenvoudige gevallen worden uiteindelijk beoordeeld door een Enkelvoudige Kamer. Lastiger gevallen worden voorgelegd aan de Meervoudige Kamer, die uit vijf leden bestaat. De Meervoudige Kamer komt zes maal per jaar bijeen en neemt dan op één middag bij meerderheid van stemmen een beslissing over een vijftigtal dossiers.

De materiële schade is redelijk `hard te maken'. Het gaat dan om bijvoorbeeld therapie-kosten en inkomstenderving, vervoerskosten, rechtsbijstand en kleding. Bij immateriële schade ligt het lastiger. De Kamers hanteren daarbij een `Lichamelijk Letsel-lijst naar lichaamsdeel'. Een lichte hersenschudding zonder ziekenhuisopname, een scheur in het trommelvlies, een neusfractuur, het verlies van één voortand of het breken van een teen scoort nul en levert geen schadevergoeding op. Maar een amputatie van onder- en bovenbeen zorgt voor een score van zes, terwijl een dwarslaesie ter hoogte van de hals, verlies van (belangrijke delen) van de armen of besmetting met het aidsvirus (HIV) voorzien is van het cijfer acht en dus tot de maximale uitkering kan leiden.

Maar slachtoffers hoeven niet altijd op een positief oordeel van het fonds te rekenen. Een 20-jarige man, die vorig jaar met vrienden naar een schoolplein ging om te vechten met een andere `gang' en daarbij messteken opliep kreeg van het fonds nul op het rekest, omdat hij zich zelf onnodig in een situatie had gebracht waarin hij geweld jegens hem kon verwachten. Een gedeeltelijke tegemoetkoming is echter ook mogelijk. Een 27-jarige man die aan de deur van een club werd geweigerd, een ruit in sloeg en ruzie zocht met de man die hem de toegang ontzegde, kreeg vorig jaar 75 procent van de uitkering waar hij in principe voor in aanmerking kwam. Hij werd in zijn been geschoten en dat leidde na twee operaties tot een amputatie. Cremers: ,,Zo'n man brengt zich zelf natuurlijk ook onnodig in een gevaarlijke situatie, maar het is niet redelijk te stellen dat hij met een vuurwapen te maken kreeg en uiteindelijk zijn been te verliezen.''