Kwetsbare werken en beroemde hoogtepunten

Het jubilerende Museum Boijmans Van Beuningen eert zijn belangrijkste weldoeners met een tentoonstelling. Twaalf verzamelaars die in de anderhalve eeuw van zijn bestaan aan het museum hebben geschonken, gelegateerd of verkocht, passeren de revue. Het is dus onvermijdelijk in de expositie oude bekenden aan te treffen die doorgaans ook in de vaste opstelling zijn te zien: Pieter Bruegels beroemde Toren van Babel bijvoorbeeld, en het ontroerende paneeltje met de Verheerlijking van Maria van de hand van Geertgen tot Sint-Jans, het los geschilderde Zelfportret van Carel Fabritius en Gerard Dou's veel minutieuzere Kwakzalver. Het verschil is dat de werken nu eens niet in de gebruikelijke volgorde zijn gerangschikt, maar per verzamelaar bij elkaar zijn gehangen.

Door de gekozen invalshoek is dit niet zomaar een mooie expositie van topstukken uit de eigen collectie, maar worden de afzonderlijke collectioneurs, met hun eigen levensverhaal en artistieke voorkeuren, effectief in het zonnetje gezet. De tentoonstelling en een zeer leesbaar en aantrekkelijk vormgegeven boek, nodigen bij uitstek uit na te gaan wat verbindende factoren zijn geweest in hun verzamelbeleid.

Soms is daar weinig van te zeggen. Zo komt D.G. van Beuningen (1877-1955), die zoveel aan de collectie heeft bijgedragen dat zijn naam aan die van het museum is verbonden, vooral naar voren als een omnivoor wiens kunstaankopen zich weliswaar concentreerden op Europese schilderkunst, maar zich daarin uitstrekten van vijftiende-eeuwse Vlaamse primitieven tot de Hollandse Gouden Eeuw, en van de Italiaanse renaissance tot Alfred Sisley en Picasso. Tekenend is dat Van Beuningen Geertgen tot Sint-Jans' paneeltje verwierf door het bij een kunsthandel in New York te ruilen tegen een – later overigens vals gebleken – schilderij van Vincent van Gogh.

Ook de grondlegger van de collectie van het museum, F.J.O. Boijmans (1767-1847), had een breed georiënteerde smaak. Het is aardig te lezen dat tijdgenoten geen hoge pet op hadden van het kunstkritisch oordeel van deze aartsvader. Men ziet hem `noyt anders koopen dan objecten die niemand wil', schrijft er een, en een ander houdt zijn verzameling voor `een prullenboel'.

De brand die in 1864 woedde in het toenmalige onderkomen van het museum in het Rotterdamse Schielandhuis en die een groot deel van het legaat-Boijmans verwoestte, heeft op een merkwaardige manier de aanzet gevormd voor een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering van de verzameling. Met het verzekeringsgeld konden belangrijke aankopen worden gedaan.

Anderen verzamelden consistenter. Elie van Rijckevorsel (1845-1928) bijvoorbeeld, had een duidelijke voorkeur voor Europees en Aziatisch glas en keramiek, terwijl de chirurg J.C.J. Bierens de Haan (1867-1951) met zijn omvangrijke collectie zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse grafiek een fundament legde voor het prentenkabinet van het museum.

Opvallend is dat Bierens de Haan al vroeg het plan opvatte om specifiek voor Museum Boijmans te gaan verzamelen en zijn collectie, die toen nog grotendeels moest worden opgebouwd, daarop af te stemmen.

Bierens de Haans werd in zijn voornemen gesterkt door de verwerving door het museum van de collectie van A.J. Domela Nieuwenhuis (1850-1935), die in 1923 een lucratieve overeenkomst met de stad Rotterdam sloot: in ruil voor zijn verzameling kreeg hij woonruimte en een jaargeld dat hoger was dan de gage van de museumdirecteur. Ook deze verzameling bestond grotendeels uit grafiek, maar had een ander karakter dan die van Bierens de Haan: Domela Nieuwenhuis was vooral geïnteresseerd in specimina van de grote namen uit de kunstgeschiedenis. Uit het kabinet dat in de tentoonstelling aan hem is gewijd, blijkt zijn voorkeur voor de Italiaanse renaissance en de Duitse negentiende eeuw - op het eerste gezicht weer een wat vreemde combinatie. Toch is ze niet helemaal uit de lucht gegrepen: tot de topstukken behoren vier vroeg-negentiende-eeuwse aquarellen van Joseph Anton Koch met scènes uit Dante's Divina Commedia. Het zijn ontwerpen voor de wandschilderingen die de schilder maakte in het Casino Massimo te Rome en ze laten de invloed zien van monumentale decoraties uit de Italiaanse renaissance, zoals de fresco's van Rafael in het Vaticaan.

Dergelijke kwetsbare werken op papier maken de expositie eens te meer de moeite waard. Terwijl veel van de getoonde schilderijen, beeldhouwwerken en kunstnijverheid altijd al in de vaste opstelling prijken, kunnen nu ook de hoogtepunten uit het prentenkabinet en de tekeningencollectie van Museum Boijmans Van Beuningen worden bewonderd. Met name geldt dat voor het zaaltje met tekeningen afkomstig uit de collectie van F.W. Koenigs (1881-1941). Terecht wijst Johan ter Molen er in het boek op dat alle commotie rond de tekeningen uit de collectie-Koenigs die in de jaren dertig aan nazi's zijn verkocht, de aandacht heeft afgeleid van de kwaliteit van de werken die in Rotterdam zijn gebleven. Daarvan getuigt, naast mooie werken van Dürer, Grünewald en Rubens, een gewassen krijttekening van de negentiende-eeuwse Fransman Honoré Daumier. De man die daarin, heel alleen in een schaars verlicht vertrek, vergenoegd in zijn tekeningenmap bladert, verpersoonlijkt wie deze tentoonstelling centraal stelt: de verzamelaar.

Tentoonstelling: 150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam; een reeks beeldbepalende verzamelaars.

T/m 29-8 in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Publicatie (red. Joh. R. ter Molen): geb., 450 blz., ƒ 55,-