Kees Verwey

Naar aanleiding van het artikel van Kester Freriks over de tentoonstelling `Portretten van Kees Verwey' (NRC Handelsblad, 29 juli), het volgende.

In 1959-1960 kreeg Kees Verwey - met Charlotte van Pallandt - van de gemeente Amersfoort een opdracht voor een portret van de vertrekkende burgemeester Hermen Molendijk.

Als directeur van de Zonnehof was ik bij deze opdracht betrokken en begeleidde de burgemeester bij het poseren van Verwey aan het Spaarne te Haarlem. Inderdaad was - zoals Freriks schrijft - het resultaat bij Verwey sterk afhankelijk van het contact met de geportretteerde. Bij Molendijk klikte het niet zo goed.

Tijdens één van de zittingen informeerde ik naar het ontstaan van het portret van Van Deyssel, dat in de naoorlogse periode voor een luttel bedrag (500 gulden) was aangekocht door het Schiedams museum. Verwey negeerde deze plaatsaanduiding die hem kennelijk niet zinde en sprak van `het schilderij dat nu in Rotterdam is'. Hij vertelde vervolgens hoe het portret was ontstaan.

Van Deyssel kwam voor het poseren binnen, groette steeds formeel, legde zijn hoed en wandelstok op tafel en zette zich in de stoel in de hoek van de kamer. Verwey was toch wel gespannen en durfde niets te zeggen zolang Van Deyssel niets zei. Zo ging het en zo bleef het tot de laatste zitting. Van Deyssel stond op, pakte hoed en wandelstok en liep, zoals steeds, direct naar de deur.

Toen Verwey zei dat dit de laatste zitting was geweest, dat het portret nu klaar was en hem vroeg of hij het niet wilde zien, liep hij door tot hij achter de schilder stond, liet een nadrukkelijk `hm' horen en verliet het pand. De veronderstelling van Freriks dat ,,de scheldcriticus zijn mond stijf dicht hield'', is dus volkomen terecht.