Het Wilde Wonen

Volgend jaar, drie jaar nadat dit door mij voor het eerst werd gelanceerd, zet het Wilde Wonen zijn eerste stapje. Het is niet de eerste keer dat in de sector bouwen en wonen de zaak op zijn kop gaat. Architecten samen met politici experimenteerden al eerder. Ook zonder hun klanten erbij te betrekken of hun experimenten op te nemen in partijpolitieke programma's. Zo was het bijvoorbeeld na de energiecrisis met de hoogbouw gedaan en pasten de corporaties en aannemers zich aan. Dat het Wilde Wonen nu uitgerekend in Almere – Nederlands grootste staatslaboratorium voor bouwen en wonen – voor het eerst tot de woningmarkt toetreedt, is na de serie indrukwekkende experimenten die daar gedurende de afgelopen decennia tot stand kwam niet geheel onverwachts, wellicht zelfs onontkoombaar maar tegelijkertijd zeer paradoxaal, omdat het Wilde Wonen het bouwen en wonen juist verlost uit de greep van de staat. Kortom, in zijn ultieme uitvoering betekent het Wilde Wonen ongeveer een staatsgreep in woningbouwland.

Nergens anders dan in Almere is de ontwikkeling van onze woningbouw, product van strenge staatsregie, -zorg en -controle zo mooi en volledig zichtbaar als in deze kunstmatige naoorlogse ingepolderde nieuwstad. Sinds haar ontstaan werden hier alle Nederlandse bouwstijlen door toonaangevende staatsarchitecten in cycli van tien jaar uitgeprobeerd: 1970-1980 Neo-truttigheid, 1980-1990 Neo-rationalisme, 1990-2000 Neo-modernisme. Volgt hierna onder hetzelfde strakke regiem de volgende tien jaar het Wilde Wonen? Met andere woorden, wordt het Wilde Wonen in Almere gereduceerd tot een van die bouwstijlen in een door de staat geregisseerde architectonische reeks, iets wat het Wilde Wonen in principe juist niet wil zijn? Het Wilde Wonen biedt voor mensen die dat willen (`Ge-wild Wonen' noemen ze het voorzichtig in Almere), de vrijheid zelf verantwoordelijk te kunnen zijn voor hun woonvormen en -stijlen door in directe relatie met producenten hun (catalogus)huizen tot stand te brengen. Staatsinstituties maar ook projectontwikkelaars – rudimenten uit de twintigste eeuw – zijn daarbij overbodige drempels. Deze nieuwe bouwpraktijk werd als `Personal Housing' in het boekje `Het Wilde Wonen' geïntroduceerd en toegelicht. Zoals het nu in Almere gebeurt – met alle staatszorg omgeven – wordt het Wilde Wonen tegen zijn eigen principes in vrijwel onvermijdelijk de nieuwste kraal aan het architectonische snoer, waarmee straks de overgang van de ene naar de andere eeuw historisch zal worden verankerd. Dat bij dit eerste stapje naar liberalisering van onze woningbouw de route via dit opmerkelijke staatsbastion loopt, is zowel verontrustend als geruststellend. Het Wilde Wonen lijkt daardoor door de staat te worden ingelijfd, waardoor het principe is ondermijnd. Aan de andere kant lijkt de politiek, nu de bouwmarkt klaagt over de VINEX, weer op zoek naar nieuwe wegen. Ik ga maar van het laatste uit. Het zal dan ook niet lang duren of de overheid en alles er omheen, corporaties, projectontwikkelaars, architecten en aannemers incluis, zullen zijn omgevormd tot faciliterende dienstbare partijen ten behoeve van geëmancipeerde individuele klanten uit de private sector van de woningbouw.