Geweldenaar in Zuid-Limburg

Oudere lezers kennen hem voornamelijk uit de verhalen van Paulus de Boskabouter. Drie jaar geleden streek de oehoe voor het eerst weer in levende lijve in ons land neer. Vanaf een vlaggenmast van Natuurmonumenten op de Sint Pietersberg ten zuiden van Maastricht klonk zijn diepe, donkere roep. Inmiddels heeft de reuzenuil met de markante oorpluimen en de grote felgele ogen zich een vaste broedplek veroverd in een afgegraven mergelgroeve van cementfabrikant ENCI op de Pietersberg.

Voor het derde jaar op rij zijn daar deze zomer vier jongen grootgebracht. Dat is een opmerkelijk broedsucces, want het Europese gemiddelde ligt op 2,1. ,,Vooral die grote donzige uilskuikens met hun enorm grote ogen zijn fantastisch om te zien'', zegt Hans Damian van de Vogelwerkgroep Zuid-Limburg. Hij heeft zich samen met medevogelaar Mathieu Kouters over de oehoes ontfermd. ,,Uilen zijn nou eenmaal heel aparte vogels, dat vonden de oude Grieken al.''

In maart en april hield het tweetal `open dagen'. Wandelaars die langs de mergelgroeve kwamen werden op de jonge oehoes en hun ouders gewezen en kregen een folder in handen gedrukt met een oproep aan de provincie Limburg om de oehoes te beschermen. Dat is hard nodig, want de groeve waarin de zeldzame reuzenuilen broeden wordt bedreigd. Weliswaar is de mergelwinning min of meer beëindigd, maar uit vrees dat natuurliefhebbers in de diepte zullen storten, wil de provincie Limburg de groeve nu volstorten met vuursteen en boomstronken om er een wandelpad aan te leggen. ,,Helemaal fout'', vindt Damian. ,,Die groeve moet volledig ontoegankelijk blijven. Een observatiehut aan de rand is mooi genoeg! Het is heel simpel: de provincie is verplicht om deze vogels te beschermen. Zo staat het in de Vogelwet en in de EG-Vogelrichtlijn.''

Na alle commotie rond de oehoes heeft de provincie vorig jaar een plan toegezegd om de oehoes veilig te stellen. Sindsdien bleef het echter vanuit het provinciehuis akelig stil. De oehoes horen tot de portefeuille van de gedeputeerde voor groen, Odile Wolfs. Maar ontgrondingen en dus ook het beheer van de mergelgroeve vallen onder haar collega Mathieu Vestjens. Damian: `Als natuurbeschermer kan ik me voorstellen dat de provincie Limburg die oude mergelgroeve wil ontsluiten. Hij meet hooguit 200 bij 300 meter, maar is ontzettend rijk aan natuur. Er zitten sperwers, torenvalken en boomvalken en gisteren sprak ik nog iemand die hier drie ijsvogeltjes had gezien. Het wemelt er van de sprinkhanen, libellen en bijen. Maar voor de schuwe oehoes zou herinrichting funest zijn. Ze zijn op absolute rust gesteld.''

Intussen broeden de oehoes stug door. Dit jaar begon het vrouwtje al op 17 februari. Damian: ,,Er lag nog sneeuw. In Zweden beginnen ze zelfs al al te broeden op een sneeuwdek van twee meter hoog, en naarmate die sneeuw door de warmte inzakt, zakt ook die broedende vogel langzaam omlaag.''

Overdag zit het mannetje vrijwel altijd op zijn vaste plek, hij kijkt wat rond of zit te dutten. Als er eenmaal jongen zijn, wordt hij actiever. Hij sleept konijnen, meerkoeten en waterhoentjes aan en soms zelfs een jong vosje. Oehoes zijn echte opportunisten, zo blijkt uit het uitpluizen van hun braakballen. In het begin scheurt het vrouwtje de prooien voor haar kroost aan stukken, later hoeft dat niet meer. ,,Pas zag ik ze nog een compleet waterhoentje naar binnen werken'', zegt Damian.

De reuzenuilen hebben als eigenaardigheid dat ze ook andere uilen en roofvogels eten. Buizerds, torenvalken, boomvalken, wespendieven, bosuilen, slechtvalken – onder de medepredatoren in de omgeving wordt vaak een ware slachting aangericht. Zelf kennen de oehoes geen natuurlijke vijanden of het moesten de grote arenden zijn.

Nu het zomer is zie je de jongen weinig meer, maar 's avonds klinkt nog steeds hun schrille bedelroep. Het vrouwtje laat zich weinig horen, het mannetje roept diep en donker zijn eigen naam. Oehoes zijn standvogels, die het hele jaar op dezelfde plek zitten. 's Winters zitten ze vlakbij elkaar, 's zomers zit hij een paar honderd meter uit haar buurt, maar ze houden voortdurend zichtcontact en juist daarom broeden ze zo graag in zo'n komvormige mergelgroeve.

Cementfabrikant ENCI is, wellicht geschrokken van alle publiciteit, inmiddels begonnen om de wanden voortaan oehoe-vriendelijk af te graven. De steile mergelwanden zijn zo'n 40 meter hoog en moeten zo glad mogelijk worden afgewerkt met het oog op de veiligheid van ENCI-medewerkers die beneden aan het werk zijn. Maar de wanden mogen niet loodrecht omlaag gaan. Zo'n mergelwand blijft namelijk altijd `werken` onder invloed van kou, vorst en zon. Voortdurend kunnen brokstukken omlaag komen. Eerst gold als vuistregel dat de wand telkens vier meter omhoog moest en daarna een meter naar achteren, zodat een kleine richel ontstaat.

Om de oehoe te plezieren laat men de wanden voortaan eerst tien meter omhoog rijzen en dan 2,5 meter naar achteren, zodat bredere richels ontstaan. Belangrijk is dat de jongen als ze klein zijn ook genoeg ruimte hebben om op de richel rond te scharrelen. Franse vogelaars spreken van `le promenade des jeunes' – de richel moet zo ruw zijn dat de jongen er goed kunnen leren lopen.

In de Eiffel zitten de nesten ongeveer twee of drie kilometer uit elkaar. Het broedsucces is er met gemiddeld twee jongen aanmerkelijk lager dan op de Sint Pietersberg. De jongen van de twee vorige jaren zijn in Zuid-Limburg overigens niet teruggezien. Vermoedelijk komen de Limburgse oehoes uit de Ardennen. Daar waren dit jaar 24 broedparen, een record. De Eiffel heeft er zelfs al 60, men is daar 25 jaar geleden begonnen met herintroductie van gefokte dieren in het wild. Het verbod op DDT betekende nieuwe kansen voor roofvogels en ook voor de oehoe.

Misschien zijn ze zo op hun rust gesteld omdat ze vrij lang aan hun territorium gebonden zijn. Elke keer dat ze verontrust worden en moeten opvliegen kost onnodig veel energie. Alhoewel internationaal beschermd worden de vogels nog steeds geschoten. Laatst vond Damian in de Ardennen ook een slachtoffer van een herpesinfectie, een ziekte die onder roofvogels en uilen vooral na perioden met zware regenval schijnt te heersen.

Volgens sommige kenners was de oehoe oorspronkelijk een boombewoner en is hij pas later op rotswanden gaan broeden. Van de 60 broedparen in de Eiffel nestelen er dit jaar twee in bomen. Zweeds onderzoek wijst uit dat sommige oehoes wel 15 jaar op dezelfde plek broeden, maar de meeste verkassen om de twee of drie jaar naar elders. Het blijft dus spannend op de Pietersberg.