Droomprins van gehandicapte

Er is veel aan Dance Me to My Song dat om de verkeerde redenen bewondering wekt. Als het een documentaire was geweest, dan had ik ademloos zitten kijken naar het leven van de spastische Heather Rose. Ze zit in een rolstoel, is voor al haar eerste levensbehoeften afhankelijk van anderen. Wassen, plassen, eten, zelfs haar dagelijkse cola-tic om de eenzame avonden dragelijk te maken moet door iemand anders worden ingeschonken. Dat maakt die stille borrel extra treurig. Alleen praten kan ze zelf, met behulp van een spraakcomputer waarop ze met uiterste beheersing haar vaak geestige observaties intikt. Rose is een sterke persoonlijkheid, met onmiskenbare présence. Maar acteren? Ik kan niet beoordelen wat zij doet om haar personage te spélen.

Want Heather Rose is niet de hoofdpersoon van Dance Me to My Song, ze is de bedenkster, schrijfster en hoofdrolspeelster van de film die door Rolf de Heer (Bad Boy Bubby, 1994 en The Quiet Room, 1996) werd geregisseerd. Julia is de hoofdpersoon en hoewel Julia door Rose naar haar eigen leven werd getekend, gaf zij haar fictieve alter ego naar verluidt een ander karakter en een sprookjesleven mee. Er is een kwaadaardige verzorgster, die haar werk haat en Rose haat. En er is een droomprins.

In het scenario sprak hem aanvankelijk alleen de relatie tussen de twee vrouwen aan, de rest van het script was sentimentele onzin, zo vertelde De Heer eerder in een interview met deze krant. Toch ontkomt hij niet helemaal aan deze sentimentaliteit. Voor zover het de relatie tussen Julia en haar verzorgster betreft is het portret van het boze mooie en het lelijke lieve stiefzusje rauw, humoristisch en geloofwaardig. Maar op het moment dat het lelijke eendje gekust moet worden door een nobele ridder dan gaat hij er wel erg gemakkelijk vanuit dat de toeschouwer zich inmiddels Julia's perspectief heeft toegeëigend.

Daar schuilt het probleem van de film. Want hij is niet sprookjesachtig genoeg om de fantasieën van een gehandicapte vrouw te presenteren als serene uitweg uit een miserabel bestaan. Daarvoor wil Dance Me to My Song ons te zeer overtuigen van z'n échtheid, met z'n realistische details, kwijl-, pies- en badkamerscènes. Daarvoor ook is Julia te genuanceerd geportretteerd, te opstandig, en vilein ook. Maar Heather Rose's film (zoals hij op de titelrol wordt gepresenteerd) is ook geen zuiver documentair portret, want daarvoor is de reddende engel Eddie die op een dag door Julia haar leven wordt ingesleurd te schematisch gebleven. Wat is dat eigenlijk voor klootzak die eerst zijn vage telefoontjes naar haar appartement laat doorschakelen, haar gebiedt niets te vragen, vervolgens bad en bed deelt met haar verzorgster en dan nog steeds een wit paard blijft berijden in de fantasieën van Julia. Hoe altruïstisch is die man? Hadden we niet net gezien dat Julia misschien niet kan praten en lopen, maar allerminst achterlijk of naïef is?

Een spastische vrouw wilde een film maken en Rolf de Heer, die haar eerder een bijrolletje gaf in Bad Boy Bubby gaf haar de kans. Maar hij had haar moeten beschermen tegen het feit dat een geromantiseerde film de toeschouwer de gelegenheid zou geven medelijden met haar te krijgen, want dat is het enige wat zij en haar hoofdpersoon volgens mij niet willen. In deze vorm is Dance Me to My Song uiteindelijk een kitscherige exploitatiefilm, waarin het prachtige weerbarstige lichaam van een gehandicapte vrouw op een verkeerde manier te kijk wordt gezet.

Dance Me to My Song. Regie: Rolf de Heer. Met: Heather Rose, Joey Kennedy, John Brumpton, Rena Owen. In: Desmet, Amsterdam; Haags Filmhuis, Den Haag; Lantaren/Venster, Rotterdam; 't Hoogt, Utrecht.

    • Dana Linssen