Vrijheid is het allerhoogste goed

De voorstelling van de de barokopera Les Boréades (1764) van Jean Philippe Rameau tijdens de Salzburger Festspiele begint met een tapdance van Monsieur Jean. Hij speelt een dansmeester, een belangrijke organiserende rol in de opera waarin naar Frans gebruik – Lodewijk XIV was een groot dansliefhebber en een fanatiek beoefenaar van de kunst – zeker de helft van de muziek dansmuziek is.

De rol van Monsieur Jean, vertolkt door Pina Bausch-danser Lutz Förster, komt niet voor in de oorspronkelijk opzet van Les Boréades, maar is door het regisseurs-echtpaar Ursel en Karl-Ernst Herrmann toegevoegd aan hun briljante, fantasievolle en effectrijke enscenering. Die is een groot succes in Salzburg en levert opnieuw het bewijs voor de unieke positie van de Herrmanns in de operaregie. Al sinds de Brusselse periode van de Salzburgse artistiek leider Gerard Mortier, verenigen hun voorstellingen in de door hen ontworpen kostuums en decors een overrompelende visuele uitbeelding met verbazingwekkende theatertechniek en dramatische diepgang.

De tapdance van Monsieur Jean illustreert wat dirigent Sir Simon Rattle vindt van de verbijsterende muziek van Rameau: een soort jazz, want de noten zijn stilistisch eigenlijk onspeelbaar als men niet vertrouwd is met de traditie. Monsieur Jean is geen ongefundeerd verzinsel van de Herrmanns, hij is uiteraard de componist Jean Philippe Rameau (1683-1764), die hier optreedt in zijn laatste opera die hij nooit op het toneel heeft gezien. Tot 1982, toen John Eliot Gardiner Les Boréades in Aix-en-Provence op het podium bracht, had trouwens niemand deze `tragédie lyrique' ooit gezien. Wel waren er concertante uitvoeringen, vijfentwintig jaar geleden in Londen en bij de wereldpremière in 1963, toen de Franse radio het werk uit de Bibliothèque Nationale had gehaald.

Sindsdien, zo blijkt in Salzburg, heeft de wereld er een opera bij. Waarom Les Boréades nooit eerder was uitgevoerd, is niet duidelijk. Volgens de opera-encyclopedie kwam het door de dood van Rameau in 1764 tijdens de repetities. Volgens Rattle was deze veelal lichte en uiterst contrastrijke muziek destijds al goeddeels onspeelbaar nieuw en moeilijk en overschreed die de grenzen van musici en instrumentarium. Voor een deel is dat bij het geanimeerd spelende Orchestra of the Enlightenment nog steeds het geval. En volgens nog weer anderen was Les Boréades destijds ook inhoudelijk te revolutionair.

Inderdaad: vijfentwintig jaar voor de Franse revolutie lag er een partituur waarin het volk zingt: ,,Vrijheid is het hoogste goed.'' Maar die vrijheid wordt in het Grieks-mythologische verhaal door het volk juist gegund aan koningin Alphise. Zij wordt door Boreas, de god van de wind, gedwongen te huwen met een van zijn zoons. Als ze weigert, verwoesten de winden het land, de podiumvloer beweegt als een dobberend schip in alle richtingen.

Maar van het volk mag de koningin best trouwen met haar geliefde Abaris, over wiens afkomst niets bekend is. Uiteindelijk blijkt Abaris juist van hoge komaf: zijn vader is Apollo, zijn moeder een nimf die van Boreas afstamt, zodat uiteindelijk toch nageslacht van hem de troon bestijgt. Echt maatschappijkritisch was dat niet voor een hofcomponist in de eeuw van de Verlichting.

De enscenering van de Herrmanns toont het klassieke verhaal van een onmogelijke huwelijkskeuze in de koepelfeestzaal van een Frans kasteel zoals Vaux-le-Vicomte op een dag vol liefdesgekte, waarbij de rivaliserende goden Apollo, Amor en Boreas de handeling vanaf een hoge omloop bestieren. Even klassiek als locaties zijn de liefdestuin en het labyrint. De zonen van Boreas doen van alles om bij Alphise in de smaak te vallen en laten acrobaten en jongleurs optreden als saters en fabeldieren.

De sfeer van de voorstelling is die van het vaudeville met een overweldigende stroom invallen, voortdurend tintelend en op het randje van de karikatuur, maar net niet constant hilarisch, want dat is ook niet drie uur vol te houden. Mooie voorbeelden zijn de pauwenveren die een van de Boreaszonen vanonder zijn kanariegele jaspanden opzet om indruk te maken op Alphise. Bovendien verschijnt vanuit zijn kruis nog een symbolische penis met evenveel pronkzucht.

Het aardige van de enscenering is dat die wel classicistisch is, maar op geen enkele wijze authentiek. Alles, ook de dans, is `modern' van sfeer, maar de handeling is niet verplaatst naar onze tijd. Net als Rameaus meestal schaarse, maar zeer sfeervolle en beeldende noten, beweegt de voorstelling tussen de polen licht (Apollo) en lucht (Boreas). Rameau zelf verbeeldt dat als Monsieur Jean op een vervoerend poëtisch moment als hij een veertje dat uit de lucht komt dwarrelen steeds weer naar boven blaast.

Die scène is het visuele equivalent van verschillende zachtjes uitgevoerde aria's (aria betekent `lucht'), die klinken met de begeleiding van languissant geblazen fluiten. Prachtig wordt er ook gezongen door wonderlijk lichte tenoren, zoals Charles Workman, die als Abaris een fantastische hoofdrol heeft, en Jeffrey Francis als een zoon van Boreas. Bij de voorstelling die ik zag werd de rol van Barbara Bonny (Alphise) wegens keelpijn halverwege vanuit de orkestbak vocaal overgenomen door het koorlid Helen Parker, die dat voortreffelijk deed.

Bij de traditioneel goede afloop plaatsen de Herrmanns een vraagteken. Amor blaast een balonnetje op en prikt het weer door: liefde is lucht, een zuchtje van de wind.