Verdreven door de ijskast

Het ruim honderd jaar oude dijkhuis van mevrouw Y. Zager in Drimmelen bevat een kelder, die via een luik in de woonkamer bereikbaar is. Wie de zes treden afdaalt, komt op een vloer van rode uitgesleten plavuizen. Links en rechts van de ingang bevinden zich twee ruimten, beide voorzien van gewelfjes. De anderhalve meter hoge kelder heeft een raampje met tralies.

Aan de raamzijde, bij de watermeter, hangen drie brede planken met daarop een fonduepan, twee zwarte fritespannen en een sapcentrifuge. Naast het trapje staan een wijnrek met dertig flessen (rode) Hautechamp le Duc en enige flessen witte wijn. In het rechter deel kom je een aluminium emmer vol aardappels tegen, een kratje Bavaria bier en een setje oude pannen. Achterin staan allerlei levensmiddelen op houten schappen: Franse vissoep, zo'n twintig blikjes paté van Portugese tonijn en sardientjes, vijftien lege weckflessen en een stuk of negen volle: peren op sap, uit de eigen tuin.

,,Als ik een kelder zie, denk ik altijd aan weckflessen'', zegt mevrouw Zager. Als kind keek ze haar ogen uit in de grote kelder van haar grootmoeder, die een mijnwerkershuis in Heerlen bewoonde. ,,Daar stonden soms honderden flessen met geweckt fruit, groente en zelfs vlees van het eigen varken.''

Oma Zager bewaarde nog veel meer in haar kelder: melk, eieren, yoghurt, boter, bier, frisdrank, kliekjes voedsel – ze wílde niet eens een ijskast. Bij de massale intrede van de ijskast, in de jaren vijftig en zestig, werd de koele ondergrondse ruimte overbodig geacht.

Wie heeft er nog een kelder in Nederland? Niemand weet het precies. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft er geen cijfers over, de makelaarsbonden en het Kadaster al evenmin. In het algemeen beschikten vooroorlogse eengezinshuizen nog over een kelder, zegt de Rotterdamse woningstichting Onze Woongemeenschap, die elfduizend huizen zonder één kelder beheert.

De meeste kelders bevinden zich buiten de Randstad, zegt architect Niels L. Prak, schrijver van Het Nederlands woonhuis van 1800 tot 1940. ,,Op de Hollandse klei vermeden de aannemers, als het even kon, kelders te bouwen. De zandgronden van Limburg, Brabant en Gelderland leenden zich daar veel beter voor. Daar is niet zo'n hoge waterstand. In die kelders kon je volstaan met een regenjas, in het westen had je een oliejas nodig om droog te blijven'', lacht Prak.

Toch zijn er met name in Amsterdam nog veel zogenoemde souterrainhuizen, vervolgt Prak. Het zijn een soort kelders uit de zeventiende eeuw, waarin thans vaak grafische bedrijven en antiquairs zijn gevestigd. ,,Vroeger werden ze apart verhuurd voor bewoning. Door het vocht leefden de mensen daar onder verschrikkelijke omstandigheden.''

Ook het gewelvenkeldertje van Y. Zager in Drimmelen is niet geheel vochtvrij. Af en toe ontdekt ze lichte schimmel op de muur en de plavuizen. Ze is blij met de koele ruimte, die ze deels als een welkome extra kast beschouwt. ,,Een aantal mensen hier heeft de kelder dichtgegooid, bij de komst van de ijskast. Toen mijn man en ik het huis in 1977 kochten, stelde iemand van de gemeente voor de kelder te slopen. We zouden er zelfs subsidie voor krijgen. `Nooit van mijn leven', heb ik gezegd.''