Publieke televisie behoeft vierde net

De publieke omroep moet een vierde tv-net krijgen om belangrijke gebeurtenissen live te kunnen uitzenden, meent Lars Andersson.

Na de begrafenis van de Marokkaanse koning Hassan II is de vraag gesteld of de NOS – als vertegenwoordiger van de gezamenlijke publieke omroepen – deze plechtigheid niet rechtstreeks en integraal op televisie had moeten uitzenden. Die vraag moet niet alleen beantwoord worden met een verwijzing naar de Marokkaanse gemeenschap in ons land. De geïnteresseerden binnen deze groep konden immers naar de begrafenis kijken via de Marokkaanse satelliet- en kabelzenders MBC en RTM, en anders wel via CNN of Euronews.

De – veel bredere – vraag die zich in dit geval aandient, is of er binnen het bestel van de Nederlandse publieke televisie zo langzamerhand niet structureel een voorziening getroffen dient te worden voor het rechtstreeks uitzenden van allerlei gebeurtenissen, zowel in binnen- als buitenland. Dan kan er een herkenbaar beleid voor live-televisie van de grond komen en hoeft er niet per keer overlegd te worden met allerlei zendgemachtigden, waarbij de uitkomst soms ongewis is en in vergelijkbare gevallen niet altijd de zelfde is. De zaak van live-tv is het waard. Met de verbeterde en vooral ook veel snellere technieken – die bovendien goedkoper worden – nemen de mogelijkheden voor live-televisie immers steeds meer toe.

Dat is de aanbodzijde. Maar ook de vraagzijde is volop in beweging. Onze samenleving vergrijst, werktijden worden flexibel, vakanties langer. Een groeiend aantal mensen is in staat om ook overdag televisie te kijken en blijkt dat ook te willen. Zeker als die televisie waarmaakt waarvoor het mede is uitgevonden: het ver(der) kijken, het rechtstreeks kunnen meebeleven van wat er buiten je eigen leefwereld gebeurt – niet alleen in je eigen land, maar eigenlijk overal ter wereld.

Er is op dit terrein veel meer mogelijk dan nu nog op het scherm te zien is. Dit komt door de wijze waarop het publieke bestel is georganiseerd. Doordat de omroepen vaak lang van tevoren programma's aanmaken en programmeren, is de ruimte – ook overdag – om met rechtstreekse uitzendingen op de actualiteit te reageren beperkt. Bovendien wordt er altijd gediscussieerd over de vraag hoe hoog je de drempel moet leggen bij het doorgeven van die vele beelden. Was het een uitgemaakte zaak dat de urenlange begrafenisstoet in Rabat op de Nederlandse televisie te zien moest zijn? Tenslotte spelen bij de afweging van wat wel en wat niet rechtstreeks uitgezonden moet worden de kosten een rol, ook al maken de moderne technieken het allemaal wat minder duur.

Kortom, de publieke omroep weet nog niet in alle gevallen goed raad met de nieuwe mogelijkheden, hoewel het belang en de impact ervan – ondanks de journalistieke bezwaren die er aan kleven - wereldwijd snel aan het toenemen zijn. Van commerciële omroepen behoeven de kijkers op dit punt niet zo heel veel publiek-journalistieke dienstverlening te verwachten, want bezien vanuit het oogpunt van geldverdienen, is deze vorm van televisie helemaal niet interessant. Het belang zit hem namelijk lang niet altijd in de interesse van een miljoenenpubliek, maar in de waarde die dergelijke uitzendingen hebben, bijvoorbeeld voor ons culturele erfgoed of voor de traditionele waarden, waarmee we in ons land overigens een beetje huiverig omgaan.

Onomstreden is de taak van de NOS-televisie bij aandachttrekkende gebeurtenissen zoals nationale feestdagen en/of herdenkingen, zoals Koninginnedag, 4 en 5 mei en Prinsjesdag. Er kijken naar die rechtstreekse televisie-uitzendingen gemiddeld een kleine anderhalf miljoen mensen. De zendtijd daarvoor staat welhaast per definitie vast. Maar de twijfel ontstaat als het gaat om uitzendingen rond gebeurtenissen die uit een cultuur-historisch oogpunt weliswaar van belang zijn, maar slechts een klein publiek trekken. De begrafenis van koning Hassan II is misschien niet het beste voorbeeld omdat die – achteraf bezien – ook onverwachte emotietelevisie opleverde die nogal wat kijkers trok, maar op zich gaat het in de meeste gevallen om een groep geïnteresseerden die niet groter is dan zo'n honderdduizend mensen.

De opening van het Holland Festival, het huwelijk van de Britse prins Edward, de Nijmeegse Vierdaagse, debatten in de Kamer op andere momenten dan wanneer het voortbestaan van het kabinet op het spel staat: het zijn slechts enkele voorbeelden van live-televisie waarbij de vraag zich heeft voorgedaan of de NOS er (rechtstreeks) aandacht aan moet besteden. Over een koninklijk Oranjehuwelijk bestaat geen discussie, maar zou de intocht van de Vierdaagse in Nijmegen niet in aanmerking moeten komen voor rechtstreekse uitzending en de zondagse begrafenis in Rabat wel?

Een publieke omroep die zijn onderscheidend vermogen ook ontleent aan de aandacht die zij geeft aan andere waarden dan alleen de hoogst mogelijke kijkdichtheid, zou nog meer dan nu al gebeurt voor rechtstreekse verslaggeving ruimte moeten maken. En gelukkig gebeurt het ook vele malen. Maar de mogelijkheden van live-televisie groeien zo gestaag dat er nog geen adequaat antwoord is op de vele actuele gebeurtenissen die rechtstreeks op televisie te volgen zijn. Dit vergt dus een structurele aanpak, waarbij de publieke omroep en de politiek uiteindelijk voor de vraag komen te staan of zij die aanpak kunnen en willen realiseren binnen de programmering op de bestaande drie publieke netten, of dat er – gelet ook op de ontwikkelingen elders - gestreefd moet worden naar een aparte zender, waarop tevens het televisienieuws uit de regio en herhalingen van nieuws en actualiteiten te zien zijn. Een nieuwszender in Nederland dus. Nederland 4.

Meer ruimte voor live-tv binnen de bestaande netten betekent een voortdurende (kans op) verschuiving en doorkruising van geplande programma's. Valt de keuze op een speciale zender dan wordt het allemaal een stuk gemakkelijker. Maar welke oplossing er ook komt, de discussie over wat je wel of niet rechtstreeks moet gaan uitzenden zal blijven. En die hoort ook te blijven, want zij is wezenlijk voor de journalistiek en onder die categorie valt live-televisie hoe dan ook.

Kortom, welke gebeurtenis dient rechtstreeks op de Nederlandse publieke televisie te worden uitgezonden en welke niet? In dat verband was de begrafenis van koning Hassan II en het niet-live uitzenden daarvan nog leerzamer dan de tv-criticus van NRC Handelsblad dacht.

Lars Andersson is hoofd actuele televisieprogramma's van de NOS.