Laurent Kabila grijnst niet meer

Gisteren was het een jaar geleden dat Congolese rebellen de wapens opnamen tegen hun president Kabila. Sindsdien verloor de `dikkop' een derde tot de helft van zijn grondgebied en raakte het hart van Afrika ontwricht.

De eerste keer dat ik Laurent Désiré Kabila in levende lijve ontmoette had de onbetwiste president van de Republiek Congo een enorme grijns op zijn gezicht. Dat was mei 1998 toen hij net dictator Mobutu had verdreven. De tweede maal, september 1998, trok hij grimassen die het midden hielden tussen getergdheid en twijfel. Rebellen hadden de aanval op zijn regering ingezet. En de laatste maal Kabila was vorige week, smekend om hulp bij de Zuid-Afrikaanse president Mbeki. Het gelaat van Kabila was strak – het verzet tegen de naderende ondergang voorbij, zo leek het.

Zie hier de drie gezichten van Laurent Kabila, sinds twee jaar president van de Democratische Republiek Congo, voorheen Zaïre. Hij kwam, zag en zal, zo ziet het er naar uit, verliezen. Want wat er verder ook mag voortvloeien uit vredesinitiatieven waar momenteel aan wordt gewerkt, de reuzenhap die opstandelingen in een jaar tijd uit het immense land hebben genomen krijgt Kabila nooit meer terug. Hoe kon het zo snel misgaan in de nieuwe republiek?

Toen Kabila op 17 mei 1997 in triomf Kinshasa binnentrok, trof hij een verwoeste staatshuishouding aan. In de 32 jaar die Mobutu Sese Seko daarvoor Zaïre in handen had, was plundering en corruptie de regel, eerlijkheid en goed bestuur de uitzondering. Mobutu wist het dankzij de Koude Oorlog lang uit te houden: Westerse landen, Frankrijk en de Verenigde Staten voorop, zagen in hem een belangrijke Afrikaanse steunpilaar tegen het oprukkende communisme. Kabila had al drie keer (in 1965, 1977 en 1984) vergeefs geprobeerd de dictator te verdrijven.

Pas in oktober 1996 was een door Kabila geleide verzetscoalitie ontstaan die succes zou hebben. Maar in de verdrijving van Mobutu lag meteen de kiem voor nieuwe onrust besloten. Kabila behaalde zijn overwinning namelijk met militaire steun van Rwanda en Oeganda. Deze landen, waar etnische Tutsi's de dienst uitmaken, streefden twee doelen na bij het verjagen van Mobutu: bescherming van hun verdrukte broedervolk, de Banyamulenge, in het oosten van Zaïre, èn het opsporen van extremistische Hutu's.

Het laatste doel was ingegeven door de ongekende terreur tegen de Tutsi's uit 1994. In dat jaar richtten milities van Hutu's, een ander belangrijk volk in de regio, in Rwanda een massaslachting aan onder de Tutsi-minderheid tijdens een uitbarsting van etnische onrust. Hierbij kwamen naar schatting een half miljoen mensen om het leven, voordat een Tutsi-interventiemacht vanuit Oeganda de Hutu's richting Zaïre dreef. Vanuit het buurland vielen de Hutu-milities, Interahamwe genoemd, Rwanda herhaaldelijk binnen. Om hieraan een einde te maken besloten Rwanda en Oeganda dat het tijd was voor de aanval en zochten ze een verbond met anti-Mobutu krachten.

Kabila's verzetscoalitie was derhalve vanaf het begin monsterverbond met verschillende belangen. Terwijl Kabila's doel de staatsmacht was, wilden de Rwandese en Oegandese Tutsi's slechts een bufferzone voor zichzelf creëren op Zaïrees/Congolees grondgebied, een streven waar Kabila in feite niets van moest hebben. De Tutsi's, die bekend staan als formidabele vechters met een voortreffelijk strategisch inzicht, hielpen Kabila aan de overwinning en enkelen van hen werden als beloning in de regering opgenomen.

Maar de liefde duurde niet lang. De Tutsi's in Kabila's bestuur, op afstand gestuurd vanuit Kampala en Kigali, meenden dat niet genoeg werd gedaan tegen de Hutu-milities, terwijl Kabila op zijn beurt zich steeds meer ergerde aan de dominante rol van de Tutsi's. Rwanda's sterke man Paul Kagame en de Oegandese president Yoweri Museveni, meenden daarom dat een tweede revolutie noodzakelijk was. Ze smeedden een militair plan voor de verdrijving van Kabila.

Op 2 augustus 1998 begon de aanval. Kabila bevestigde in Tutsi-ogen meteen zijn vijandelijkheid jegens hen: hij incorporeerde de Rwandese Hutu-milities in zijn eigen leger en begon een pogrom tegen Tutsi's. Etnische Tutsi's die zich in die dagen in Kinshasa bevonden was een gruwelijk lot beschoren. Het bewind riep openlijk op Tutsi's te vermoorden en burgers gaven daar graag gehoor aan. Afschuwelijke lynchpartijen volgden in de hoofdstad.

De twee guerrillabewegingen tegen Kabila, de Rally voor Congolese Democratie (RCD) en de Beweging voor de Bevrijding van Congo (MLC) waren tijdens de eerste weken van hun offensief al dichtbij hun doel. Het slecht georganiseerde leger van Kabila was geen partij voor hen. Maar militaire interventie door Zimbabwe, Angola en Namibië, op verzoek van Kabila, voorkwam een nederlaag. De drie landen snelden Kabila te hulp, deels uit een soort nostalgische solidariteit van kameraden onderling, deels uit eigenbelang. Zimbabwe had veel investeringen lopen in Congo, terwijl Angola vreesde dat zijn eigen binnenlandse rebellenbeweging Unita het op een akkoordje zou gooien met de Congolese opstandelingen. En voor beider argumenten viel iets te zeggen: de nieuwe burgeroorlog schudde alle verhoudingen nogmaals grondig door elkaar. Zelfs oude generaals van Mobutu doken weer op; de leider van de MLC, Jean-Pierre Bemba, was officier in Mobutu's leger.

De buitenlandse interventie redde Kabila van de directe ondergang, maar kon niet voorkomen dat RCD en MLC gestaag maar zeker oprukten. Op dit moment beheersen ze een derde tot de helft van Congo. De rebellen geven nog niet de indruk hun opmars te willen staken.

De afgelopen twaalf maanden is zeker een dozijn pogingen ondernomen om tot een vredesakkoord te komen. De laatste inspanning werd vorige maand gedaan door Zambia. Het prachtige vredesplan van Lusaka kreeg uiteindelijk de handtekeningen van de zes betrokken landen: Congo, Angola, Namibië, Zimbabwe, Oeganda en Rwanda. Maar niet van de rebellen. Eergisteren tekende Bemba alsnog, maar hij zei erbij na zeven dagen de strijd te zullen hervatten als de RCD niet ook tekent. De RCD heeft hiertoe nog geen aanstalten gemaakt.

Jan van Eck, analist van het Centrum voor Conflictbeheersing in Kaapstad, meent dat de positie van Rwanda uiteindelijk van doorslaggevend belang zal zijn. ,,Het opnemen van de Hutu-milities in het Congolese leger en de brute vervolging van Tutsi's heeft een diepe en vrijwel onoverbrugbare haat gekweekt tegen Kabila.'' Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat Rwanda haar pogingen zal stoppen Kabila te verjagen, op wat voor manier dan ook.