Colombianen moeten burgeroorlog zelf beëindigen

De vrede in Colombia is verder weg dan ooit, nu ook de president en de VS er hun krediet hebben verloren. Liduine Zumpolle meent dat alleen de bevolking zelf het conflict kan beëindigen, mits de internationale gemeenschap haar steunt.

Heel oorlogsmoe Colombia keek vorig jaar uit naar de wonderen die de nieuwe president Pastrana had beloofd: een dialoog met de guerrilla en dus het begin van een langverwacht vredesproces. Op grond van die belofte was hij tenslotte gekozen. Maar nog geen jaar later is de vrede verder weg dan ooit en is het nationale en internationale politieke krediet van de president grotendeels vervlogen. Hetzelfde geldt voor de steun van het leger voor diens `vredesstrategie'.

De militair machtige en politiek uitgekookte guerrilla (de FARC en de ELN) heeft de overmoedige en naïeve president bekwaam de das omgedaan. Wie nu de agenda bepaalt, is niet het staatshoofd maar het gewapend verzet. Pastrana heeft concessie na concessie gedaan aan de eisen van de FARC, waarvan de belangrijkste was de terugtrekking van het leger uit het departement Caqueta, een gebied zo groot als Zwitserland waar de strijders zich inmiddels ingegraven hebben. Maar het heeft geen enkel gebaar van de andere kant opgeleverd. Integendeel, de datum van de beloofde `dialoog' is door de guerrilla met allerlei smoezen steeds opnieuw uitgesteld (en dus ook de terugkeer van het leger in het ontruimde gebied). Intussen voert zij elders in het land bloedige offensieven uit en nemen ontvoeringen en drugsproductie toe.

Colombia is de voornaamste leverancier van cocaïne en heroïne voor de VS en nergens ter wereld worden zoveel mensen ontvoerd. De guerrilla heeft hierin een zeer aanzienlijk aandeel. In april werden de inzittenden van een vliegtuig gegijzeld; een week later een volle kerk, vervolgens een boot vol sportvissers en onlangs weer een vliegtuig. In alle gevallen bleek de staat machteloos. Bij een van de guerrilla-offensieven in de omgeving van de hoofdstad Bogota vielen onlangs aan de zijde van de guerrilla ruim 300 doden: het bleken voornamelijk kinderen van 12 tot 15 jaar en jonge vrouwen te zijn – gedwongen recrutering is een gebruikelijk machtsmiddel dat vooral op boerenfamilies wordt toegepast.

Als reactie op de guerrilla is destijds het paramilitarisme ontstaan, dat de taken van een inefficiënt en ongemotiveerd leger overneemt en in die strijd niet zozeer guerrilla's, als wel weerloze burgers vermoordt. Ook tegen deze para's kan of wil de staat niet effectief optreden; een voorwaarde die de guerrilla aan de regering stelt alvorens om de tafel te gaan zitten. Maar aan dat overleg mogen de para's van de guerrilla niet deelnemen; dat zou hun teveel geloofwaardigheid verlenen. Op hun beurt eisen de para's een stem in een eventueel nationaal vredesakkoord, omdat zij tenslotte voor het leger het vuile werk hebben opgeknapt. President Pastrana komt hier niet uit.

De Amerikanen, die Pastrana graag zagen komen, beseffen nu het echec van diens concessie-strategie en voeren de militaire hulp (training, bewapening, logistieke steun en zelfs uitwisseling van geheime informatie) op, in het kader van de `war on drugs'. Nu de guerrilla zich echter steeds meer ontpopt als opvolger van de vermoorde drugsbaron Pablo Escobar, richten de Amerikaanse inspanningen zich steeds meer tegen de in drugs handelende guerrilla. In het gedemilitariseerde gebied dat de FARC in het departement Caqueta beheert, is toevallig ook 's lands cocateelt geconcentreerd.

In koor met linkse splintergroeperingen schreeuwt de FARC nu moord en brand over de Amerikaanse aantasting van `onze nationale soevereiniteit'. Zij ziet daarbij over het hoofd dat zij zich daar zelf schuldig aan maakt in Caqueta. Zij verdreef er alle gerechtelijke instanties en drong de bevolking hun eigen `volkstribunalen' op. Daarbij horen praktijken als executies, verdwijningen, gedwongen militaire recrutering, perscensuur en `oorlogsbelasting'. Protesterende parochiepriesters ter plaatse wordt de mond gesnoerd. Een aartsbisschop dreigde met ex-communicatie van guerrilleros, in een vertwijfelde poging tot beroep op de christelijke achtergrond van de `vrijheidsstrijders'. De grootste angst van de guerrilla is echter om als ordinaire drugshandelaars in een Amerikaanse gevangenis te belanden wanneer het uitleveringsverdrag tussen Colombia en de VS onder Amerikaanse druk eenmaal een feit is.

De Amerikanen krijgen in hun beleid ten aanzien van Colombia een koekje van eigen deeg uit het verleden gepresenteerd. Vanwege de condities inzake respectering van de mensenrechten, waaraan militaire hulp aan het Colombiaanse leger tegenwoordig moet voldoen, is er bijna geen legereenheid te vinden die aan de nieuwe vereisten van schone handen voldoet. Dat is niet onbegrijpelijk gezien het bestaan van de Amerikaanse leerschool die veel Latijns-Amerikaanse militaire topfiguren doorliepen. De essentie van de `School of the Americas' was gebaseerd op wantrouwen tegenover iedere burger die opkwam voor de mensenrechten. Dat was vaak voldoende om als verdachte te boek te staan en te worden gearresteerd of gemarteld.

Paradoxaal is nu, dat ondanks dat verleden de publieke opinie in Colombia helemaal niet meer zo wars is van een grotere Amerikaanse betrokkenheid. En dat, terwijl de ineffectieve en ecologisch schadelijke `war on drugs' in Colombia algemeen wordt gekritiseerd. Maar men is op het punt beland dat men iedere strohalm – in dit geval de Amerikaanse Big Stick – wil aangrijpen om de chaos (en vooral de guerrilla) te beteugelen. Maar de risico's zijn groot. Op vrijdag 23 juli vlogen vijf Amerikanen op DEA-missie samen met hun twee Colombiaanse piloten tegen een mistige bergwand. En zij waren de eerste niet die verongelukten. ,,Als de Amerikanen zich dieper in onze zaken mengen, zullen nog meer Amerikaanse burgers ontvoerd worden'', zo dreigde de guerrilla onlangs en voegde meteen de daad bij het woord.

Ook Nederland is in de `war on drugs' zijn relatieve `onschuld' kwijtgeraakt door de Amerikanen toestemming te geven verkenningsvluchten uit te voeren vanaf luchtmachtbases op de Antillen. Eenzelfde desoriëntatie in Colombia geldt voor Europa. Bilaterale ontwikkelingshulp neemt vanwege wanbeleid en corruptie af, maar Europese bedrijven blijven er zitten omdat investeren in het potentieel rijke land toch wel rendeert. Impliciet betekent hun aanwezigheid in de huidige situatie zo een continuering van het geweld in Colombia, omdat veel ondernemingen zwichten voor de eis van de guerrilla tot het betalen van afpersingsgeld, en losgeld wanneer hun mensen worden ontvoerd. Daarnaast dient `oorlogsbelasting' aan het ministerie van Defensie betaald te worden. Ook paramilitairen verdienen er een centje bij, als het nationale leger faalt in het beschermen van de buitenlandse eigendommen ( met name olie-installaties), wat meestal het geval is. Iedereen, behalve de Colombiaanse slachtoffers, heeft belang bij het verzwijgen van deze praktijken en bij het handhaven van de status quo.

Het is de Colombiaanse burgerbevolking die steeds luider van zich laat horen in massale protestdemonstraties. Zij wijst op het moreel failliet van alle partijen in het conflict en eist wapenstilstand en eindelijk vrede. De familieleden van de massa-ontvoeringen van april stelden onlangs een moedige daad: zij eisten hun geliefden ongedeerd terug en zworen daarvoor geen cent losgeld te zullen betalen. Dit soort civiele initiatieven van onafhankelijke burgers kan een kentering in de ontvoeringsindustrie afdwingen. Ze verdienen brede internationale steun. Europese ondernemers zouden hun voorbeeld moeten volgen, in plaats van zich duur te verzekeren tegen ontvoering en dus grif te betalen wanneer het zover is.

Liduine Zumpolle is coördinator Latijns Amerika van Pax Christi.