Stuurversnelling

Ik kon het niet laten en vroeg aan de jongeman die uit de prachtige oude Amerikaan stapte of ik achter het stuur mocht zitten om even te schakelen. `Ik heb als jongetje leren autorijden in een auto met stuurversnelling en dat geeft nog steeds zo'n prettig gevoel.' Gevleid door mijn belangstelling bood hij zelfs aan om even een blokje om te rijden. Ik achter het stuur. Het was een Chevrolet van een type waarvan mijn oom Garrard, die aannemer was, vroeger een stationcar-uitvoering had. Mijn vader, die als uitvoerder bij het zelfde bouwbedrijf werkte, reed destijds in een Opel Kapitän met nog een echte neus en spatborden in plaats van zo'n platte motorkap. Ook deze wagen had, zoals de meeste auto's in die tijd, een stuurversnelling.

Als ik me goed herinner, armpje naar je toe en omhoog eerste versnelling, recht naar beneden twee, van je af en omhoog drie, naar beneden vier. Aan het eind van het armpje zat een knop, indrukken, helemaal naar je toehalen en omhoog, en hij stond in zijn achteruit.

Op het puntje van de bank gezeten kon je overal net bij maar het bleef voor een twaalfjarige een hele toer om zo'n zware wagen zonder stuurbekrachtiging de garage in te rijden. Mijn vader stond er met zijn handen in zijn zakken bij toen ik eens een stuk uit de deur reed. `En nu?' vroeg ik vertwijfeld. `Achteruit en probeer het nog maar eens', was zijn laconieke antwoord.

Autorijden behoorde je destijds al behoorlijk onder de knie te hebben wanneer je achttien werd. Dat scheelde in het aantal rijlessen dat je nodig had. Regelmatig zocht vader met mij en mijn broers een stil weggetje op waar we om beurten een eind mochten rijden.

Een voordeel van de stuurversnelling was dat er plaats was voor een driezits-voorbank. Althans dat dacht men toen. Veiligheidsgordels waren er nog niet zodat bij frontale botsingen de passagiers ongehinderd door de voorruit vlogen.

Het schakelen met een stuurversnelling geeft een gevoel en een geluid van zacht knarsen dat ik altijd als veel prettiger heb ervaren dan de pookversnelling. De dashboardversnelling die de deux chevaux en de Renault-4 hadden zat daar qua gevoel en techniek een beetje tussenin.

In de jaren zestig en later gingen steeds meer fabrikanten over op de pookversnelling die nu bijna algemeen is. Het pookje heeft veel minder bewegende onderdelen, is daardoor goedkoper te installeren en minder storingsgevoelig, zo hoorde ik onlangs iemand in een radio-uitzending uitleggen.

Stuurversnelling associeer ik onwillekeurig nog steeds met de geur van sigaren. Zowel mijn vader als mijn oom Garrard met wie ik vaak meereed, stak voor het wegrijden altijd een verse bolknak op. Een Karel I, een Elisabeth Bas of een Schimmelpenninck. Het bandje lieten ze er meestal omzitten en na een kilometer of tien, wanneer het vuur bijna het bandje had bereikt kreeg jij de sigaar aangereikt om het veelkleurige sigarenbandje met daaronder het grauwbruine accijnsbandje eraf te halen.

Zo'n onverwachte schakelsensatie – ik rook al vijftien jaar niet meer maar heb toch even op het punt gestaan om een doos sigaren te kopen