Kosovaren zijn de beroemdheden moe

De Britse premier Tony Blair bezocht dit weekeinde de Kosovaarse hoofdstad Priština. Het enthousiasme was gering; de Kosovaren lijken moe van de beroemdheden.

De Britse omroep BBC World brengt het nieuws om tien uur 's ochtends. De Kosovaarse hoofdstad Priština verwacht duizenden Kosovaren om de Britse premier Tony Blair toe te juichen, zegt de verslaggever. Door het geopende keukenraam klinkt het gejoel van de enthousiasten in afwachting van de minister-president, twee straten verderop. `He is a tough guy', zegt een inwoner van Priština aan de ontbijttafel. In zijn stem klinkt bewondering.

Eenmaal buiten blijkt de aanhang niet zo groot. Voor het hoofdkantoor van de Verenigde Naties staan slechts enkele honderden Kosovaren. Ze brengen bovendien het meeste enthousiasme op voor de leider van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, Hashim Thaçi, als die na een gesprek met de Britse premier het VN-gebouw verlaat. Zijn naam golft door de straat.

Toch is Blair populair. Niet voor niets zal het aantal bewonderaars in de loop van de ochtend aangroeien tot ongeveer duizend – al is dat nog altijd minder dan verwacht. De Albanese Kosovaren zien in hem een man van woorden én daden. De Amerikaanse en Britse leiders genieten de meeste populariteit in Kosovo, want zij hebben voortdurend gepleit voor hard(er) ingrijpen tegen de Serviërs. Dat wordt hogelijk gewaardeerd. Op de muren van Priština staan hun namen dan ook liefdevol gekledderd: `Bler, Klinton, Olbrigt'.

Er lijkt een andere reden voor het geringe enthousiasme van deze ochtend: de Kosovaren zijn wat moe van de beroemdheden. ,,Geen enkel volk heeft zoveel Europese premiers gezien als de Albanezen'', merkt een hulpverleenster op. Dat klopt; de stroom beroemdheden kwam tijdens de NAVO-bombardementen al op gang in de Macedonische vluchtelingenkampen, waar de Kosovaren naast Europa's leiders onder meer de Amerikaanse president Clinton, NAVO-chef Solana en de acteurs Roger Moore en Richard Gere zagen. En de dag voor Blairs bezoek aan Priština bezocht de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright nog de Kosovaarse hoofdstad.

Het interessante deel van het bezoek van Tony Blair wordt dan ook niet veroorzaakt door Tony Blair zelf, maar door een andere politiek leider: Ibrahim Rugova. De gematigde Kosovaarse leider, rivaal van Thaçi, arriveerde afgelopen vrijdag in Kosovo – ditmaal voorgoed, zegt hij. Enkele weken geleden oogstte Rugova veel kritiek door vanuit Italië slechts één dag naar zijn `bevrijde' land terug te keren. Eerder werd hij gehekeld wegens gesprekken met de Joegoslavische president Slobodan Miloševic tijdens de NAVO-bombardementen en – na zijn vertrek uit Kosovo – het besluit om naar Italië te gaan, er daar voornamelijk het zwijgen toe te doen en slechts één keer een bezoek van tien minuten aan Kosovaarse vluchtelingen in Macedonië te brengen.

Rugova heeft, net als UÇK-leider Thaçi, een onderhoud met de Britse premier Blair. Maar het gesprek eindigt voor hem minder rooskleurig. Als hij in de deuropening van het VN-gebouw verschijnt – zijn zijden sjaaltje lijkt definitief te zijn verruild voor een stropdas – begint de menigte de naam van zijn politieke opponent te scanderen: Thaçi, Thaçi, Thaçi. Een duidelijk opgelaten Rugova probeert zich te redden door zijn handen, samengebald tot één vuist, in de lucht te steken. Daarna stapt hij snel in een auto. Drie kwartier later verschijnt Tony Blair, die in een toespraak tot het publiek zegt trots te zijn in Priština te staan (hard applaus), te hebben gevochten voor vrede voor alle mensen in Kosovo (minder applaus) en oproept tot vriendschap tussen Albanezen en Serviërs (nauwelijks applaus).

Om zeven minuten voor twaalf vertrekt de Britse premier in een helikopter uit Priština. Enkele uren later ontstaat grote beroering in de Kosovaarse hoofdstad als tijdens een `routine-controle' UÇK-commandant Agim Çeku door Russische KFOR-soldaten wordt aangehouden. Çeku, een generaal die in Belgrado heeft gestudeerd en die in dienst van het Kroatische leger liefst negen keer is onderscheiden voor dapperheid in de strijd tegen de Serviërs, zou een uniform dragen en bewapend zijn zonder zijn vergunning daarvoor bij zich te hebben. Het UÇK, dat zich al tegen de komst van de `Servisch-gezinde' Russen heeft uitgesproken, laat weten zich gesterkt te zien in zijn vermoedens.

Midden in de nacht worden de bewoners van Priština's centrum uit hun slaap opgeschrikt door een enorme knal die de ruiten doet rinkelen. Onbekenden hebben vier kilo springstof tot ontploffing gebracht in een Servische orthodoxe kerk-in-aanbouw. Premier Tony Blair, die eerder deze dag opriep tot vrede, vriendschap, gelijkheid en rechtvaardigheid voor Albanezen èn de Serviërs in Kosovo, is dan al lang vertrokken.