Herzien

Waarom denken architecten toch dat er onder hun gebouwen plaats is voor `interessante openbare ruimtes'? De onlangs overleden Piet Blom dacht dat de bewoners van zijn kasbah in Hengelo zich onder hun opgetilde huizen van hun creatiefste kant zouden laten zien. Maar ze parkeren er vooral hun auto's en vertoeven verder zo kort mogelijk in de naargeestige kerkers. Ook onder Bloms paalwoningen in Rotterdam is de sfeer doods en hetzelfde geldt voor de galerij onder het gekromde archiefdeel van het Nederlands Architectuurinstituut in dezelfde stad. Architect Jo Coenen verwachtte dat dit een `doorwaadbare' toegang zou worden naar het Museumpark, maar het is een levenloze ruimte geworden.

Vermoedelijk heeft ook Rem Koolhaas gedacht dat veel mooie dingen zouden gebeuren onder zijn lange woongebouw uit 1987 op het IJ-plein, zoals het voormalige terrein van een scheepswerf nu heet. Op papier is het ook geen gekke gedachte om dit gebouw als het ware op te tillen: zo blijft de rest van de woningen op het IJ-plein in contact met het water in het vroegere dok. Het moet ook gezegd dat Koolhaas en zijn bureau Office for Metropolitan Architecture (OMA) hun best hebben gedaan om iets van de ruimte onder het gebouw te maken. De onderkant is bijvoorbeeld niet gewoon plat, maar iets gepunt en betimmerd met hout. Ook zijn er een paar mooie ronde glazen doosjes neergezet, die dienst kunnen doen als onderkomens voor bedrijven en snackbars.

Toch is ook deze poging om het grondoppervlak onder een gebouw te gebruiken mislukt. Ook nu weer is er een desolate ruimte ontstaan, die bovendien voor een deel onbruikbaar is doordat de ingangen tot de trappenhuizen er middenin zijn geplaatst en zo de doorgang beletten. Het is een ruimte waar men zich het liefst van afschermt, getuige het café in een van de glasdoosjes, waar achter de hele glazen façade ondoorzichtig bobbelglas is geplaatst. Zo heeft de kroegbaas een eigen, bruine enclave gecreëerd in een gebied waar het getuige het bordje dat bij het postkantoor hangt niet prettig toeven is. ,,In verband met overvallen geopend van 14 tot 16 uur'', luidt het uitnodigende opschrift.

Koolhaas' woongebouw is ontegenzeggelijk ingenieus: het bevat verschillende woningtypen, die bovendien nog op verschillende, inventieve manieren worden ontsloten. Maar het heeft de twaalf jaar dat het er nu staat niet erg goed doorstaan. Het lichtgroene pleisterwerk is vaal en groezelig geworden en ook veel andere materialen zien er bedroevend uit.

Het langgerekte woongebouw, de naastliggende woningen en een school zijn de enige gebouwen die OMA voor eigen rekening nam in deze door dit bureau ontworpen wijk vol sociale woningbouw. De woningen in de rest van de wijk, die begin jaren tachtig de eerste grote opdracht was voor OMA, zijn ontworpen door andere architecten, onder wie H. van Meer en De Kat & Peek.

Koolhaas wordt tegenwoordig uitbundig geprezen, omdat hij in 1990 op het congres ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft een heel grote knuppel in het Nederlandse architectenhok gooide. Hoe is het in godsnaam mogelijk, zo vroeg Koolhaas zich toen bijna vertwijfeld af, dat aan het einde van de twintigste eeuw de Nederlandse architectuur nog steeds wordt beheerst door de modernistische vormen die in de jaren twintig zijn verzonnen?

Een zekere onoprechtheid moet hier toen in het spel zijn geweest. Want als er één architect is geweest die in zijn vroege werk dankbaar gebruik maakte van het werk van Le Corbusier en de Russische constructivisten uit de jaren twintig, dan is het Koolhaas zelf. Ook uit zijn ontwerp voor het IJ-plein blijkt dat. In de ontwerpfase projecteerden Koolhaas en zijn medewerkers verschillende stedenbouwkundige ontwerpen uit de architectuurgeschiedenis op het scheepswerfterrein, een methode die sindsdien door talloze architectenbureaus is nagevolgd. Het waren zonder uitzondering ontwerpen van modernisten als Walter Gropius, Mart Stam, Johannes Duiker, Ludwig Mies van der Rohe, Ernst May en Ludwig Hilberseimer.

Het is dan ook niet vreemd dat het IJ-plein nu oogt als een Berlijnse Siedlung uit de jaren van de Weimar-republiek. Dit is niet per se vervelend. De westkant van van de wijk aan het IJ in Amsterdam-Noord is met zijn afwisseling van strokenbouw en `urban villa's' zo ruim opgezet, dat tussen de goed onderhouden gebouwen oases voor spelende kinderen zijn ontstaan. Maar verder naar het oosten overheerst de genadeloze, grimmige strokenbouw van de modernisten uit de jaren twintig. Het is alsof Koolhaas met het IJ-plein heeft willen illustreren hoe verschillen in stedenbouw en architectuur leiden tot verschillend gedrag van de bewoners: in tegenstelling tot de veldjes in het westelijke deel zijn die in het oostelijke deel zo klein en benepen, dat ze niet voor vertier maar vooral voor het storten van vuil worden gebruikt.