Trots Heerlen werd zielloze stad

De sluiting van de mijnen bezorgde Heerlen vele (drugs)problemen. Het stadsbestuur probeert de malaise te spreiden, maar stuit op verzet van de bevolking.

Het ontvangstcomité van de treinreiziger wordt gevormd door drugsverslaafden. De scene presenteert zich zonder gêne in en rond het station. Op het plein aan de zuidkant wordt openlijk gedeald. In de wijk ten noorden tippelen heroïnehoeren. In de stationstunnel, die noord met zuid verbindt, hangen junks rond, wordt er geschreeuwd en gevochten, en voelt het publiek zich onveilig.

De drugsproblemen van Heerlen zijn vergelijkbaar met die van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Op 96.000 inwoners heeft Heerlen een geschat aantal van 1.100 harddruggebruikers. Dat is één junk op elke honderd inwoners. Vooral een groep van tachtig zwaar verslaafden rond het station wekt ergernis en gevoelens van onveiligheid op bij de bevolking.

Hoewel er nooit wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan, ziet het instituut voor verslavingszorg in Heerlen, CAD, een relatie tussen het aantal drugsverslaafden in de stad en de ellende die de mijnsluitingen brachten. De verslaafden komen opvallend vaak uit probleemgezinnen waar het misging na de sluiting van de mijnen.

Fred Gillissen is nu algemeen directeur van het CAD Limburg. Toen hij in 1977 als straatwerker bij het CAD in Heerlen begon, waren de drugsproblemen nog in opkomst. De laatste mijn was drie jaar eerder gesloten. Hij koppelt criminaliteit en verslavingsproblematiek aan dat gegeven.

Bijna de gehele economische bedrijvigheid verdween. Vanaf 1965 kostte dat 80.000 arbeidsplaatsen. Tussen 1965 en 1990 zou het Rijk weliswaar 10,4 miljard gulden steun aan de regio geven, maar dat kon de malaise niet tegengaan. Na de mijnsluitingen was er de oliecrisis en begin jaren tachtig zakte landelijk de economie in. In de mijnstreek liep de werkloosheid op tot 25 procent. In veel wijken was de helft van de werkzame bevolking afgeschreven. Wie niet werkeloos was, was wel arbeidsongeschikt. Duizenden andere ex-kompels verdwenen in de sociale werkvoorziening. Veel voormalige mijnwerkersbuurten heten `probleemwijken'.

Gillissen: ,,Tegelijk met de economische ineenstorting verdween de hegemonie van de katholieke kerk. De mijnen hadden voor welvaart gezorgd, de kerk had gewaakt over de waarden en normen. De mijnwerkers en hun gezinnen stonden er alleen voor.'' In de mijnwerkerskoloniën stapelde de ellende zich de afgelopen twintig jaar op. Gillissen: ,,Mijnwerkers met hun trots en status moesten aan de lopende band staan, als ze al een baan vonden. Het zorgde voor frustraties en spanningen in gezinnen, zeker toen kompels opeens de hele dag thuis zaten. De sloop van de mijnindustrie leidde tot onthechting van de samenleving.''

Begin deze eeuw was Heerlen nog een dorp van vijfduizend inwoners. Toen de mijnen kwamen, begon de explosieve groei. Polen, Italianen, Friezen en Limburgse boertjes bevolkten eindeloze wijken met eenvormige mijnwerkershuisjes. Voor een evenwichtige sociale opbouw was geen tijd. Met de mijnen verdween de bindingsfactor van de bewoners. Schachten en mijngebouwen werden in de jaren zeventig gesloopt. Wat restte was een zielloze stad.

Sinds jaren probeert de gemeente een `Heerlen-gevoel' te kweken, vooral op cultureel gebied. Er wordt ook voortvarend gewerkt aan de economische opbouw en de gemeente plande in een groen deel van de stad zelfs een `miljonairswijk'; de behoefte aan dure woningen is groot. Het nieuwe elan klinkt door in de nieuwe naam voor de regio: `Parkstad Limburg' moet `Oostelijke Mijnstreek' doen vergeten.

Toch zijn maar weinigen trots op wat overbleef. In een vergelijking uit 1998 met twintig andere grote steden scoorde Heerlen negatiever op het gebied van openbare orde en veiligheid; Heerlenaren voelen zich onveilig. Sociaal-economisch scoorde Heerlen het laagst van alle steden: meer mensen met lagere opleidingen, meer werkloosheid, een lager inkomen en nog altijd extreem veel arbeidsongeschikten. Eén blik in het stadscentrum en je ziet dat de cijfers gelijk hebben. De ellende was en is een ideale voedingsbodem voor criminaliteit en drugshandel, nog gestimuleerd door de ligging nabij Duitsland. Het tolerante Nederland trekt verslaafden uit het buurland aan.

Ook de verstedelijking rond Heerlen versterkt de problemen, zegt Heerlens burgemeester Jef Pleumeekers. ,,De verslaafden uit de agglomeratie van een kwart miljoen mensen komen naar het centrum van Heerlen. De drugsscene speelt zich bovendien af op een paar honderd vierkante meter rond het station. Die concentratie maakt de overlast zichtbaarder en dus groter.''

Dat is de reden waarom Heerlen met omliggende gemeenten heeft afgesproken om de verslaafden verspreid te gaan opvangen in vier centra. Een daarvan is het voormalige politiebureau in Heerlen-Zuid, dat de buurt afgelopen week tevergeefs probeerde te kopen om de opvang te voorkomen.

Pleumeekers: ,,Spreiding moet leiden tot minder overlast in Heerlen-centrum. Bewoners en winkelend publiek willen niet langer geconfronteerd worden met verslaafden. Door verspreide opvang maken we het probleem onzichtbaarder. Tegelijk bieden we de verslaafden een betere kwaliteit van leven.'' In de opvangcentra kunnen ze douchen, een boterham kopen, en onder toezicht gebruiken. Dat hoeven ze dan niet meer in een portiek te doen. Het voordeel is dat ze zich niet opgejaagd voelen, en de bevolking minder overlast ervaart. Ook op andere fronten worden deze problemen aangepakt. In de herfst doet Heerlen mee aan een landelijk experiment met gratis heroïne voor verslaafden, onder medisch toezicht. En na vijf jaar discussie wordt op een industrieterrein een tippelzone aangelegd voor straatprostituees uit het centrum.

Intussen roepen de junks op straat steeds meer afkeer op bij de bevolking. Maar ook de initiatieven van de overheid om de overlast te verspreiden wekken agressie op. Bewoners van de wijken Palemig en Heksenberg wisten met lijfelijk verzet ingebruikname een tippelzone te voorkomen. De bewoners van de wijken Aarveld en Bekkerveld die nu tegen de komst van een opvangcentrum zijn, weten dat demonstreren loont. Hoe groot is de onvrede? Groeit de intolerantie? Gillissen: ,,Als het voor de voordeur komt, groeit het verzet. Iedereen in Aarveld en Bekkerveld weet dat er opvang moet zijn, maar niet in hun buurt. Het probleem is dat iedere buurt dat zegt. Waar moet die opvang dan komen? De bevolking zal moeten accepteren dat er iets gedaan wordt. Er is geen andere oplossing.''

In hun huis in het protesterende Aarveld vertelt een ouder echtpaar – ze willen niet met naam in de krant – hoe ze in de winter 's nachts wakker liggen en zich afvragen of hun zoon de vrieskou doorstaat. Hij raakte 22 jaar geleden als scholier aan de drugs. Sindsdien leeft hij op straat, rond het station. ,,Nu is het elke dag een gevecht voor de daklozen om plekje te krijgen in het bestaande slaaphuis'', zegt het paar. ,,Onze zoon moet opgevangen worden. Ik begrijp de gevoelens van degenen die protesteren tegen het nieuwe opvangcentrum in het politiebureau. Maar geloof me, je gaat er anders over denken als je eigen kind misschien een iets beter leven kan krijgen. Dan protesteer je niet.''