Oskarchen is uitgetrommeld

Günter Grass houdt van grote projecten. Zijn vorige boek, Ein weites Feld, moest hèt boek over het herenigde Duitsland worden. Historisch gefundeerd en houdbaar voor volgende generaties. Het werd een babbelboek. Grass had de stijl nagedaan van zijn collega Fontane maar was vergeten de negentiende-eeuwse wijdlopigheid aan te lengen met een scheut fontaneske azijn.

Mein Jahrhundert is zijn nieuwste mammoetproject en opnieuw kiest Günter Grass voor de breedsprakige toon. Maar waar Ein weites Feld zich ondanks de megalomane opzet tot één thema beperkte, daar keuvelt Mein Jahrhundert alle kanten uit. Geen thema en geen plot, geen hoofdpersoon en geen verteller houdt het geheel bijeen. De enige centrale idee was een weergave van deze eeuw: gezien de aanstaande millenniumgekte een plan waar brood in zit. Maar wie dacht dat Günter Grass zijn eigen licht over deze eeuw laat schijnen, die wordt door de titel misleid.

`Ik, verruild tegen mij, ben er jaar in jaar uit bij geweest', verklaart hij direct in 't begin, aldus zijn vertelwijze in bescherming nemend. Günter Grass doet diepzinnig en vlucht in rollenspelen. Honderd vertellers vertellen honderd verhaaltjes over de honderd jaren van deze eeuw en aangezien zij niets met elkaar te maken hebben hoeft hun auteur geen lijn te trekken van jaar naar jaar. Ook kan hij zich energiebesparend per verhaal beperken tot een kleine wereld.

Want klein zijn ze, de mannen en vrouwen die Günter Grass aan het woord laat. De grammofoonplatenhandelaar, de Adidas-sportschoenen-verkoper, de bakker uit Keulen en de werkster uit Berlijn: hier melden zich gewone Duitsers. Brave burgers die geld verdienen, tevreden zijn en geen zin hebben om na te denken. Ze vinden een heleboel - maar een mening hebben ze niet.

Dat had interessant kunnen zijn als Günter Grass hen een satirische behandeling had gegeven. Als hij hun zelfvoldaanheid had overdreven om er de verschrikkelijkheid van te laten zien. Dit zijn immers de meelopers, de blinde plichtsvervullers: Hitlers gewillige beulen. Maar Günter Grass is blijven hangen in een zacht bed van oubollige humor. Is het leuk dat de Adidas-sportschoenenman Adi Das genoemd wordt? Dat Dikke Berta pruilt omdat haar collega's van de wapenfabriek haar naam aan een nieuw type kanon hebben gegeven?

In Grass' knusse vocabulaire heten kleine jongens steevast bengels en grote jongens Jungs. De vertellers doen hun best om gezellig te praten: plat Keuls, plat Berlijns of plat Platt. Lekker populair, lekker dicht ook bij de doelgroep volk. De koopmansgeest van deze vertellers, wat dat betreft is hun stem authentiek, lijkt op die van Günter Grass. Het kan zijn dat Grass zijn personages niet al te hard aanpakt omdat hij zichzelf niet al te hard aan wil pakken.

Niet alleen door de halfslachtige ironie maakt het vertellen via honderd vertellers een geforceerde indruk. Ook door de didactische bijbedoelingen van de schrijver moeten die vertellers zich in rare bochten wringen. We moeten iets van hen leren. Te veel. Duitse Geschiedenis. We moeten weten hoe dat ook alweer zat met de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, de bouw van de Muur, de val van de Muur, de jongste oorlogsdreiging. Er moet een lampje gaan branden bij de namen Tirpitz, Bülow, Scheidemann, Stresemann, Brüning. Een handboek erbij is onmisbaar en dat wíl Grass natuurlijk ook, dat we ijverig gaan studeren. En het moet gezegd: sommige weetjes maken nieuwsgierig naar meer.

Dat Duitsland net als Holland de zeeën bevoer en een vloot opbouwde waar je u tegen zegt: dat zijn dingen waar je elders weinig van hoort. Aardig is ook Grass' belangstelling voor de vooruitgang van de techniek, van onderzeeboten tot en met gifgassen. Door de consequente opsomming van merken en serienummers bereikt hij in die verhalen bijna de satirische kwaliteit die elders zo droevig ontbreekt. Het is toch ook een beetje droevig dat de jaren die Günter Grass, geboren in 1927, niet zelf heeft meegemaakt de origineelste details bevatten. Grass maakte voor die jaren gebruik van de diensten van iemand anders, een getalenteerde historicus die in minuscule letters in het colofon is weggemoffeld.

Halverwege het boek staat een plaatje van een jongetje dat we allemaal kennen. Het is Oskar Matzerath, het kind dat niet wilde groeien. Wat hij wèl wilde, het kleine Oskarchen, was roffelen op zijn trommel, hard en lang en woedend, uit rebellie tegen de volwassenen. Want die hadden er een potje van gemaakt, die schoten elkaar dood in de oorlog. De held van Die Blechtrommel was een boze buitenstaander en zijn auteur ging de geschiedenis in als een tegen Duitsland protesterende Duitser.

Maar er is iets vreemds aan de hand met het door de schrijver geschilderde plaatje. De trommelaar kijkt niet boos. In het witte gezichtje hangt een krachteloze mond. De kwaaie Oskar werd een gemakzuchtige burger en Günter Grass volgde zijn voorbeeld.

Günter Grass: Mein Jahrhundert. Steidl, 410 blz. ƒ62,80 zonder en ƒ124,45 met illustraties van de auteur.