Omdat ik Nederlander ben

Het heette `politionele actie' maar volgens de hoofdredacteur van Vrij Nederland, H.M. van Randwijk, was het niet minder dan een koloniale oorlog die Nederland op 20 juli 1947 in Indonesië ontketende. Zes dagen later trok Van Randwijk in zijn krant fel van leer tegen wat hij `een zedelijk kwaad en een politieke dwaasheid' noemde.

Toen op zondag, 20 juli, Nederland de oorlog begon tegen de volken van Java en Sumatra – (een `politionele actie' met tanks en vliegtuigen IS een oorlog! Waarom dit schijnheilige getwist over een woord, als de zaak duidelijk is?) – kwam na de woorden van de minister-president, het Wilhelmus door de radio. Toen drong onweerstaanbaar in mijn herinnering die even zonnige morgen van de tiende mei 1940, toen Schiphol reeds brandde en tussen de alarmerende berichten over landende parachutisten de stem van onze koningin klonk, gevolgd door het Wilhelmus.

Ik stond toen alleen in een oud gebouw in de binnenstad van Amsterdam. Toen het volkslied uitgespeeld was, ontdekte ik, hoe ik blootshoofds en met natte ogen had meegezongen.

Van dat ogenblik af was het Wilhelmus voor mij een nieuw lied geworden, of liever, het had zijn oude betekenis herkregen. Niet de natie zonder meer, maar de natie ,,op gerechtigheid gegrondvest' was in het geding, niet de vrijheid, maar de vrijheid ,,als een vroom Christenman te leven' werd belaagd. Wanneer ooit in de donkere jaren die volgden de twijfel het hart besloop, gaf deze wetenschap nieuwe kracht, als ooit daarna de hartstocht van de strijd en de haat tegen de vijand ons overmeesterden, drong deze wetenschap ons terug binnen de heldere lichtkring waar het recht meer is dan de natie en het geweten luider spreekt dan het bloed. Dat was niet altijd gemakkelijk, maar dat is het risico van een volk als het onze, dat een zo edel en vroom lied tot zijn volkslied heeft verklaard. En daarom klonk het op 20 juli 1947, de dag waarop Nederland met tanks en bommen een ander volk te lijf ging als een vloek!

Geen natie gebruikt zijn leuzen vrijblijvend. Toen de strijdende democratieën vrijheid en recht voor alle volken als hun oorlogsdoel verklaarden drong deze blijde tijding ook tot Indonesië door. Een nieuwe hoop ging leven. Mannen, die om dezelfde vrijheid als wij streden, plantten in augustus 1945 hun eigen vrijheidsboom, toen hier te lande de jubel nog niet was verstomd.

Wie heeft er zich in Nederland over verheugd? Wie heeft in Nederland de eigen vrijheid zuiver genoeg begrepen, om blij te zijn met de vrijheid van ANDEREN? De enige mogelijkheid immers, om de medemens waardig te ontmoeten, is de ontmoeting met een vrij mens.

Tussen de jonge staat Indonesië en Nederland zijn twee jaar van moeizaam onderhandelen gevolgd. Wij zullen de geschiedenis hiervan hier niet in details ophalen.

Maar dit willen we wel zeggen: ER WAS IN NEDERLAND EEN GROTE GROEP, DIE GEEN ENKELE VERSTANDHOUDING MET DE REPUBLIEK WENSTE. Een groep, voor wie bedachtzaamheid, vriendschap, begrip, als die van Republikeinse zijde werd getoond, geen reden tot verheugenis, maar een belemmering en een gevaar betekenden, omdat het hun niet om een goede verstandhouding tussen twee vrije volken te doen was, maar om een herstel van de Nederlandse overmacht. Een zwakke Nederlandse regeringscoalitie, die door de heterogene samenstelling noch tot een duidelijke politiek in oude stijl, noch tot een even duidelijke politiek in nieuwe stijl kon besluiten, heeft zich ten lange leste in de positie laten dringen, waarin de oorlogshitsers aan beide zijden haar hebben wilden.

De geschiedenis van de afgelopen twee jaren is een aaneenschakeling van aarzelingen, prijsgeven en hernomen standpunten en verwarring waarin ten slotte een duizendmaal doelbewuster en wilskrachtiger oppositie haar zin gekregen heeft. En nu nog, op het moment waarop reeds de kanonnen spreken, wil men ons, Nederlands volk, in deze het geweten en de daadkracht dodende atmosfeer dringen: Een politionele actie, geen oorlog; een beperkt doel, geen volledige bezetting van de Republiek; wapengeweld ter uitvoering van het vriendschapsakkoord; de oorlogsdrijvers hun zin geven om hun heerschappij te voorkomen!

En dat wil zeggen, zij die door de oppositie gedwongen werden het werk van Schermerhorn (het geparafeerde Linggadjati van november 1946) vier maanden lang te ondermijnen en te beknibbelen, die niet in staat bleken onder tienmaal gunstiger omstandigheden het leger en het ambtenarenkorps in Indonesië in de hand te houden. Toen de Republiek 90 procent van de ultimatieve eisen van de Nederlandse nota van 27 mei jl. had aanvaard, antwoordde de regering met een antwoord van 10 juli, waarin geen woord van erkenning doorklonk, een kil en hooghartig staatsstuk; waarbij de oppositie applaudisseerde en Romme de pas markeerde en een aarzelende kritiek van de banken van de REGERINGSpartijen kwam.

Zouden wij geen begrip hebben voor de uitermate moeilijke positie, waarin de eerlijke beminners van de vrede, ook in het kabinet, verkeren? Natuurlijk wel en niets kan ons aan de eerlijkheid van hun gezindheid doen twijfelen. Maar onderwijl spreekt het kanon en sterven onschuldigen! Onderwijl wordt de mogelijkheid tot een blijvende vriendschap tussen de volken van Nederland en Indonesië vernietigd en groeit de haat. Lankmoedigheid kon ophouden een deugd te zijn, zei Beel. Smart en schaamte verliezen hun morele glans, als ze niet meer bij machte zijn de daad te beïnvloeden zeggen wij.

De oppositie heeft gewonnen, heeft gewonnen in dubbele zin, omdat het gelukt is progressief Nederland als haar uitvoerders te charteren. Dat, wat in al zijn naaktheid voor ons en voor de wereld had moeten verschijnen, zien wij thans in een waas van morele tegenzin en vage goede bedoelingen. Alleen de Indonesiërs, die onder ons wapengeweld creperen zien het zoals het is. Wij weten dat het niet zonder risico is deze waarheid zo onverbloemd in het Nederland van vandaag te zeggen.

Nadat in bepaalde kringen in ons land twee jaren lang de gevaarlijke breuk (pro en contra Linggadjati) werd uitgebuit en verheerlijkt, klinkt plots de oproep, dat we als Nederlanders schouder aan schouder moeten staan en dat een weigering in deze kring te treden landverraad betekent. Waarom, vragen wij, moet de mensheid de grote woorden altijd en alleen bezigen wanneer er geschoten wordt en een oorlog wordt gevoerd. Men kan zijn land ook verraden als het om vrede en vriendschap gaat! Waarom vraagt men mijn kritiekloze medewerking als het om te doden gaat, terwijl minstens de helft van Nederland niet bereid was om mede te werken toen het om het leven van een miljoenenvolk ging? Waarom moet ik vandaag zwijgen, die de vrede wil, en waarom mochten gisteren zij vrijuit spreken die om een oorlog roepen? Zijn het dan altijd de wapenen die het hoogste goed van een natie verdedigen en kan het hoogste goed van een natie dan nooit het veiligst zijn wanneer wapengeweld wordt uitgebannen?

Dit is geen pleidooi voor een principieel pacifisme en hier spreekt niet de geest van het ,,gebroken geweertje', door ,,Trouw' telkens weer opgeroepen als ergens een woord des vredes klinkt. Twee jaar na de Duitse bezetting weten wij, dat het nodig kan zijn wapens te hanteren, maar twee jaar na de nederlaag van Hitler zijn wij evenmin vergeten, dat wapengeweld ook goddeloosheid en onrecht kan verdedigen.

Nederland doet er beter aan zich af te vragen, of het werkelijk wil wat thans in Indonesië gebeurt, aleer het Nederlanderschap als criterium te gebruiken, voor hen, die met de huidige gang van zaken niet akkoord gaan. Twee jaren lang is het conflict tussen Nederland en Indonesië hangende geweest. In die tijd zijn er vele artikelen geschreven en uitvoerige staatsstukken verschenen. Wie enigszins thuis is in de krantenwereld weet, dat de redacteuren steeds weer geneigd waren het nieuws over Indonesië te beperken, omdat de ,,lezers er beu van waren'. Hoeveel Nederlanders hebben de 17 punten van Linggadjati gelezen, laat staan de toelichting van de Commissie-Generaal en de verklaring van Jonkman? 27 Hoevelen hebben kennisgenomen van de verdediging van de Republiek, daar waar zij door ons werd aangevallen?

Het antwoord op de vraag, wie er gelijk heeft, is geen conclusie uit een eigen kennisname van de feiten en omstandigheden door mondige staatsburgers, maar een zaak van persoonlijke trouw aan een partij en erger nog, een gevoelsmatige binding aan personen, in de zin van: Ik kan niet geloven dat Vorrink... Of: het wil er bij mij niet in dat onze beste Drees... Tegenover dezulken maakt de schrijver van dit artikel zich niet de minste illusie. In een kiesspel tussen Vorrink en Van Randwijk wil hij uit alle bescheidenheid en doelmatigheid niet als partij fungeren. Maar wie meent daarmee als verantwoordelijke man een keuze te hebben gedaan in een dilemma van recht of onrecht, oorlog of vrede, macht of menselijkheid, die vergist zich.

Ik spreek omdat ik Nederlander ben. Omdat ik Nederlander ben zeg ik nee! tegen het geweld dat thans door ons in Indonesië gepleegd wordt. Ik zeg dit met in mijn oren de beschuldiging door mijzelf en anderen geuit tot het Duitse volk, dat uit vaderlandsliefde en éénzelfde verkeerd begrepen nationaal belang meende te moeten zwijgen toen Hitler in zijn naam misdaden beging. Ik schakel daarmee het optreden van onze regering in Indonesië en de daden van Hitler niet gelijk. Ik zeg er alleen mee, dat wij in de beschuldiging aan het Duitse volk erkenden, dat er een hogere maatstaf is dan het nationaal belang en dat er klemmender redenen zijn om te spreken of te zwijgen dan het Nederlanderschap. De vraag naar de moraliteit van de staat is een moeilijke vraag en een andere dan die van de moraliteit van het individu. Maar ergens moet toch ook de natie haar bestaan bouwen op het recht en de menselijkheid en daarmee aan al zijn mondige leden het privilege geven dit recht naar eer en geweten te toetsen.

Een analyse van de toestand en de mogelijkheden heeft u bijna week in week uit in ,,Vrij Nederland' kunnen vinden. Daarin werd en wordt ook gesproken over de fouten, die tot dit bloedvergieten hebben geleid en de mogelijkheid om er een eind aan te maken. Wat ik opeis is het recht om nee te zeggen als Nederlander en in naam van Nederland!

Mijn natie is geen door bestaansdrift en machtsdrang bijeengedreven horde, maar een in recht en menselijkheid gewortelde gemeenschap. Daarom vraag ik dit recht en deze menselijkheid. Mijn volk wortelt niet in de duistere driften van bloed en bodem, maar in een erkenning van normatieve zedelijke beginselen. Die wil ik toegepast zien en daarom wijs ik een koloniale oorlog af.

Nederland is geen roofstaat maar heeft vrijwillig het overleg en de arbitrage als middel ter beslechting van geschillen aanvaard en dit op bijzonder nadrukkelijke wijze bevestigd ten aanzien van Indonesië, daarom heeft het geen recht de wapens op te nemen, zolang deze arbitrage niet is ingeroepen. Ik verwerp elk beroep op gemeenschap gebaseerd op een duister driftmatig beleefde nationale eenheid. Ik verwerp elke blinde verbondenheid aan personen als het om recht en mijn geweten en om mijn verantwoordelijkheid als staatsburger gaat.

Door in Indonesië een koloniale oorlog te ontketenen begaat Nederland een zedelijk kwaad en een politieke dwaasheid. Ik hoop vurig dat het Nederlandse volk bij machte zal zijn de regering te dwingen op deze heilloze weg halt te houden! Eerst dan kan ons Wilhelmus opnieuw klinken en meegezongen worden.

Dit is het zevende deel van een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel c.q. toespraak wordt gepubliceerd.

© Vrij Nederland