Mogelijke partijdigheid schaadt verdeling roofgoud

Leden van het adviescollege, dat toeziet op de verdeling van het door de nazi's geroofde goud, mogen geen bestuursfunctie bekleden bij de organisaties die aanspraak maken op een subsidie uit dit goudfonds, vindt J.M. Loonstein. De samenstelling van het adviescollege moet dan ook zo snel mogelijk worden gewijzigd.

Minister Borst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft in augustus 1998 een onafhankelijk college geïnstalleerd, dat advies moest uitbrengen over de besteding van de 22,5 miljoen gulden aan goud dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's was geroofd en later werd teruggevonden. Dit adviescollege heeft de ingediende verzoeken van belangenorganisaties om een subsidie uit dit `goudfonds' te krijgen getoetst aan het bestedingskader. Vervolgens is aan de minister een advies uitgebracht over het al dan niet (volledig) subsidiëren van deze voorstellen.

Het adviescollege wordt gevormd door een voorzitter en vier leden. Zij handelen op persoonlijke titel en zijn voor deze taak benaderd op grond van hun specifieke expertise, hun kennis van de doelgroepen en hun onafhankelijkheid ten opzichte van zowel het ministerie van VWS als de belangenorganisaties.

Op 1 juli 1999 heeft het adviescollege zijn rapport uitgebracht. Hierin staat onder meer vermeld dat in situaties waarin een lid van het college vermoedde dat zich de schijn van belangenverstrengeling zou kunnen voordoen, het desbetreffende lid zich van stemming heeft onthouden. Met het opnemen van deze zinsnede heeft het adviescollege in feite aangegeven dat bij de instelling van het college de als voorwaarde gestelde onafhankelijkheid van zijn leden discutabel was.

Als men de resultaten van het werk van het college doorneemt, dan moet worden aangenomen dat het zeer vaak is voorgekomen dat een lid van het adviescollege vermoedde dat de schijn van belangenverstrengeling, of beter gezegd van partijdigheid, zich zou voordoen en hij of zij zich van stemming moest onthouden. Dit laatste heeft echter in een college, waarin een collegiale sfeer vermoed mag worden, nauwelijks betekenis.

Als men als college te werk gaat, dan gaat het daarbij in de eerste plaats om het uitzetten van de grote lijnen. Aan die discussie doet ieder lid mee. Bij deze beraadslagingen is in het onderhavige geval al voor een belangrijk deel bepaald welke richting de verdeling van het geld op zal gaan. Vervolgens zijn de verschillende projecten naast elkaar gezet en heeft een onderlinge afweging plaatsgevonden. Bij die gedachtenwisselingen hebben wederom alle leden hun inbreng gehad. Uiteindelijk is per individuele aanvraag bepaald of deze al dan niet gehonoreerd zal worden. Essentieel is dan ook niet of men aan de stemming heeft deelgenomen, maar of men aan het advies heeft meegewerkt.

In het adviescollege hebben enkele leden zitting die een prominente rol als bestuurder in joodse instanties spelen of tot voor kort hebben gespeeld. Het is voorstelbaar – maar naïef – dat bij de instelling van het adviescollege er geen zicht op bestond dat er zoveel subsidieaanvragen zouden worden ingediend door instanties waarbij enkele leden van het college nauw betrokken waren als bestuurder. Maar toen eind februari 1999 dat zicht er wel was, hadden de betrokken leden stante pede als lid van het adviescollege moeten opstappen, of had de voorzitter van het adviescollege moeten aangeven dat hier een niet toelaatbare situatie was ontstaan.

Een paar voorbeelden. Het kan toch niet zo zijn dat door het adviescollege ƒ800.000 wordt toebedeeld aan een stichting waarvan een bestuurder lid is van het adviescollege, of dat ƒ1.200.000 wordt uitgekeerd aan een kerkgenootschap waarvan een van de leden van het adviescollege vele jaren landelijk voorzitter is geweest en nog steeds een vooraanstaande plaats inneemt, of dat ƒ500.000 wordt toegekend aan een stichting, waarvan een van de leden van het adviescollege tot eind 1997 voorzitter was.

De (schijn van) partijdigheid strekt verder. Hoe gedraagt een lid van het college zich ten aanzien van een subsidieverzoek waarmee nagenoeg hetzelfde doel wordt beoogd als de aanvraag van de instelling waarmee het betrokken collegelid een nauwe binding heeft. Wie legt de grenzen waarbinnen een lid van het college al dan niet mee kan doen? Een onmogelijke situatie? De onafhankelijkheid die als voorwaarde is gesteld voor het lidmaatschap van het adviescollege staat volledig op de tocht.

Er bestaat jurisprudentie van de Hoge Raad waarin een advies van een commissie, waaraan een commissielid heeft meegewerkt dat tevens lid was van het bestuur van de stichting die belang had bij bedoeld advies, nietig wordt verklaard. Hetzelfde oordeel zou geveld moeten worden over het advies van het college.

Zoals uit eerdere artikelen op deze opiniepagina en uit ingezonden stukken is gebleken, raakt de verdeling van het geroofde goud gevoelige snaren. Men zal het niet iedereen naar de zin kunnen maken, maar principiële fouten waardoor de gepretendeerde onafhankelijkheid van het adviescollege wordt aangetast, hadden voorkomen respectievelijk hersteld moeten worden.

Aangezien de taak van het adviescollege nog niet is beëindigd (er moet ook nog een advies worden uitgebracht inzake de verdeling van het Nederlandse gedeelte van de internationale goudpool) lijkt het dringend gewenst om op korte termijn de samenstelling van het adviescollege te wijzigen. Aan het aldus opnieuw samengestelde college zou het reeds uitgebrachte advies ter beoordeling moeten worden voorgelegd, zo mogelijk na raadpleging van belanghebbenden en deskundigen. Het is duidelijk dat als gevolg hiervan de advisering zal worden verlengd. Maar het is zonneklaar dat als het advies zonder meer wordt uitgevoerd, het aantal bezwaarschriften van belanghebbenden, derden-belanghebbenden en beroepsprocedures uitermate groot zal zijn. Dit zal een minstens zo grote vertraging bij de afwikkeling van het advies veroorzaken.

Mr. J.M. Loonstein is jurist.