Een schel en snerpend `nee'

Wat geeft een boek cult-status? Een gebrek aan lezers, of een bepaalde inhoud? En wanneer verglijdt de waardering voor een schrijver van cult naar folklore? Over de complexe cartografie van de tegencultuur.

Een schrijversleven: trouwen op je twintigste, baan bij de New Yorker, vader worden van vier kinderen, elke twee jaar een roman publiceren, die altijd met respect wordt ontvangen, de kost verdienen met artikelen en essays, na twintig jaar huwelijk scheiden en hertrouwen, en al die jaren wonen in een vrijstaand huis in een provincieplaatsje.

Een ander schrijversleven: twintig baantjes verslijten, uit verveling morfine gebruiken, vijftien jaar lang verslaafd blijven, in Marokko onderduiken na per ongeluk je vrouw te hebben doodgeschoten tijdens een grap met een pistool, half Colombia afreizen op zoek naar de hallucinerende drug yage, en tussen de bedrijven door boeken publiceren waarvan er ten minste één tot aan het Hooggerechtshof wordt verboden wegens obsceniteit, en waarvan de meeste zijn opgebouwd uit flarden uit andermans literatuur (Joyce, Beckett) maar ook uit strips, pornoblaadjes en SF-pulp.

De eerste schrijver is John Updike, samen met Bellow en Roth behorend tot de meest gerespecteerde hedendaagse Amerikaanse auteurs. De tweede schrijver heet William Burroughs en wordt, ook postuum, nog steeds vaak genegeerd in de officiële literatuurkritiek. Met een boek van Updike als cadeau kom je op verjaardagen prima voor de dag. Boeken van Burroughs geef je fluisterend door aan vrienden van wie je hoopt dat ze diens paranoia en `gekte' aanvoelen. Updike is tot in iedere vezel een literator. Burroughs is cult tot op het bot. Net als Bellow en Roth ontbreekt Updike in Cult Fiction. A Reader's Guide van Andrew Calcutt en Richard Shephard. Burroughs komt erin voor als het schoolvoorbeeld van de cultschrijver, vereerd door een uitgelezen groep kunstenaars, popmuzikanten en misfits.

`Cult' is in de wereld van de kunst een intrigerende schaduwgedaante met meerdere paspoorten. Alleen al bij een beperking tot de literatuur blijkt hoe moeilijk het is om te bepalen wat cult is en wat niet. Enige verheldering bracht in 1991 de Nederlandse bloemlezing Een uitgelezen hartstocht. De geschiedenis van 50 cultboeken in de 20ste eeuw, samengesteld door Jaap Goedegebuure en Arnold Heurmakers. Onder de vijftig titels die zij aanmerken als cultboek bevinden zich Ulysses, The Great Gatsby, De avonden, The Catcher in the Rye, On the Road en La Nausée. Deze roemruchte boeken hebben gemeen dat zij `door bewonderaars tot het middelpunt van een cultus zijn gemaakt'.

Deze bewondering is meestal zó intens dat het boek gaat functioneren als `spiegel en seismograaf' en bijdraagt aan `bepaalde vormen' van gedrag of mentaliteit. De bewonderaars willen het liefst met weinigen zijn en vormen niet zelden een soort intellectuele `sekte'. Instemmend haalt Goedegebuure in zijn inleiding in Een uitgelezen hartstocht Jan Siebelink aan, die A rebours van J.K. Huysmans vertaalde - een typisch cultboek uit de negentiende eeuw - en die later in een interview bekende dat hij Huysmans' boek veel minder goed was gaan vinden toen hij merkte dat het in bredere kring gewaardeerd werd.

Goedegebuure en Heumakers legden de nadruk op een mengeling van verering en mild snobisme die bijdraagt aan de status van een cultboek. Ze hadden iets minder aandacht voor een ander aspect van cultboeken, dat wel aan de orde komt in een aan cult gewijd themanummer van Bzzletin: boek of schrijver komen pas in aanmerking voor cultstatus als zij min of meer buiten het literaire establishment vallen of daar ooit buiten zíjn gevallen.

Met dat criterium vallen monumenten als A la recherche du temps perdu, Kees de jongen en Terug tot Ina Damman, door Goedegebuure en Heumakers nog opgenomen, buiten de boot. Het enthousiasme voor de boeken van Marcel Proust, Theo Thijssen en Simon Vestdijk kan onder gelijkgestemden inderdaad neigen naar sektarisme of op zijn minst naar clubjesgeest. Maar een fanatieke schare liefhebbers is uiteindelijk niet van beslissend belang voor de cultstatus van de bewonderde auteur. Er valt veel te zeggen over Proust, Thijssen en Vestdijk, maar niet dat zij auteurs zijn die omkranst zijn met een aura van rebellie en verzet tegen het establishment.

Bij Bzzletin is de redactie, bij monde van Arie Storm in een inleidend essay, van mening dat cult in de eerste plaats een actueel fenomeen is en dat cult-schrijvers zich mogen verheugen in een overwegend jong leespubliek. En dus beschikken onder anderen Irvine Welsh, Douglas Coupland, Bret Easton Ellis en David Foster Wallace over een cultstatus. Maar met het criterium zoals Storm dat verwoordt, had de bloemlezing van Goedegebuure en Heumakers nooit in deze vorm gemaakt kunnen worden. Het is een beperkende definitie waardoor de status van het cultboek ineenkrimpt, tot er niet veel meer is overgebleven dan de pennenstreken waarmee je een modelijn uittekent. Literatuur die niet van recente datum is heet dan direct `oude cult'. Volgens Arie Storm valt het werk van Jack Kerouac en William Burroughs in die categorie.

`Oude cult is een betiteling waar je moeilijk mee kunt leven. Het suggereert enige versletenheid en verschraling. Maar vanwege de volharding waarmee zij afstand bleven houden van de toen geldende literaire conventies kunnen Kerouac en Burroughs postuum met meer recht aanspraak maken op cult-status dan schrijvers als Rupert Thompson en Iain Banks, beiden geportretteerd in Bzzletin en terecht auteurs met een zekere cultreputatie, maar nu in literair opzicht minder radicaal dan toen Kerouac en Burroughs.

Een uitgelezen hartstocht van Goedegebuure en Heumakers blijft in Bzzletin vreemd genoeg ongenoemd. Wel ter sprake komt de portrettenreeks Cult Fiction. A Reader's Guide van Andrew Calcutt en Richard Shephard. Naar aanleiding van Cult Fiction zet Arno Kantelberg het in Bzzletin op een vrij associëren over wat cult is of kan zijn, eindigend met een volstrekt onbruikbare opsomming. Voor Kantelberg kunnen de Hema, G Star-spijkerbroeken en Famke Jansen allemaal aanspraak maken op cult-status, maar dat komt doordat hij een wel heel ongelukkige definitie hanteert: `Cult is dus eigenlijk wat hip is, maar nog niet door de massa is ontdekt.' Los van het feit dat het bij het Hema-filiaal bij mij in de buurt altijd erg druk is omdat het toch écht door `de massa' is ontdekt, devalueer je het begrip cult door het gelijk te stellen aan `hip'. Cult onttrekt zich nu juist aan de windvaantjes-hiërarchie van mode en trends.

Gelukkig leggen Calcutt en Shephard in Cult Fiction de nadruk op de alternatieve `tegencultuur' als schemerzone van waaruit cult-fictie ontstaat. Cultschrijvers, zeggen Calcutt en Shephard, bewegen zich doorgaans op zelfverkozen afstand van `the traditional literary conservatoire'. Een cultschrijver onttrekt zich aan, of verzet zich tegen, de zeden en wetten van een samenleving die op haar beurt ook de schrijver `vijandig gezind' is. Cult-fictie is `literature from the margins and extremes' en omarmt met een zeker gevoel voor Zwarte Romantiek en spleen een levensgevoel van pessimisme, fatalisme en desertie. Verder kan een cultboek een stem geven aan een doorgaans verwaarloosde sociale groep of klasse, ver weg van de middenklasse waar het literaire publiek zich doorgaans ophoudt. Hoofdfiguur in een cultboek is veelal een outsider, zoals door Colin Wilson is geanalyseerd in zijn gelijknamige boek uit 1956 - dat volgens Calcutt en Shephard inmiddels zelf ook aanspraak mag maken op de status van cultboek.

Toegegeven: het zijn en blijven uiteindelijk vage omschrijvingen. Wel is duidelijk dat echte cult iets `gevaarlijks' of op zijn minst ontregelends moet hebben (en dus kan het niet hip zijn, want hip wil behagen). Calcutt en Shephard vervolgen hun inleiding met profielen van tweehonderddertig (!) schrijvers. Daar zijn cracks van `oude cult' bij, zoals Burroughs, Céline, Hubert Selby, Boris Vian, Charles Bukowski en Hunter Thompson. Maar gezien hun eigen cult-maatstaven zijn er ook grensgevallen opgenomen. Vladimir Nabokov is bijvoorbeeld aanwezig op grond van het ooit als obsceen gebrandmerkte Lolita, na veel omwegen in eerste druk verschenen bij de Franse edelporno-uitgeverij Olympia Press. Nu is Lolita inderdaad nog steeds een cultboek te noemen, ook al is het inmiddels wijdverbreid geraakt. Maar Nabokovs totale oeuvre is van een museale statuur waar de term cult absoluut op afketst.

Het lijkt erop dat Calcutt en Shephard de literaire controverse als officieus criterium hebben gebruikt om hun verzameling hele en halve cultschrijvers aan te leggen. Maar het begrip cult zou snel uitgehold zijn als een controversiële roman automatisch tot het cult-domein zou gaan behoren. Want wat zou er dan cult zijn aan I.M., om maar eens een dwarsstraat naar een recente binnenlandse literaire controverse te nemen?

Behalve Nabokov zijn ook Doris Lessing, Gore Vidal, Tom Wolfe, Milan Kundera, George Orwell, Sartre, Oscar Wilde, Paul Auster, Italo Calvino, Jay McInerney en Stephen King aanwezig in het tableau van Calcutt en Shepherd, allemaal schrijvers die in mijn beleving om uiteenlopende redenen geen cult-schrijvers (meer) zijn, hoogstens schrijvers van boeken die een cultstatus genieten of hebben genoten - een gradueel en tegelijkertijd essentieel verschil. Je kunt een cultboek op je naam hebben staan, maar dat betekent niet automatisch dat je direct een cultschrijver bent. Cees Nootebooms Philip en de anderen wordt bijvoorbeeld - terecht - door Goedegebuure en Heumakers opgevoerd als cultboek. Maar tegelijk is Nooteboom inmiddels in zijn auteurschap, ambitie en respectabiliteit zo ongeveer het monumentale tegenbeeld van de schimmige cultschrijver.

Goedegebuure noemt in Een uitgelezen hartstocht Nootebooms debuut `een Nederlandse variant van Kerouacs On the Road' en haalt met instemming een nostalgisch mijmerende Robert Anker aan: `In de jaren rond 1960 was het een cultboek, waarin het levensgevoel van ons middelbare scholieren werd uitgesproken. Het ging van hand tot hand, iedereen las het.' Maar Philip en de anderen zou nu juist uit de toon vallen in Cult Fiction, omdat Nootebooms debuut in niets beantwoordt aan het door Calcutt en Shepherd gehanteerde criterium van tegencultuur en radicaliteit, daar is het te melancholiek en zoetgevooisd voor. Cult volgens Shepherd en Calcutt lispelt en fluistert niet, cult snerpt en schreeuwt.

Cult is misschien wel het gitzwarte en radicale tegenbeeld van camp, ook al zo'n genre dat zich moeilijk in het keurslijf van de definitie laat vangen. Waar camp de officiële cultuur met een knipoog uitvergroot en feestelijk ridiculiseert, probeert cult de officiële cultuur te ondermijnen en te ontregelen op een veel minder feestelijke toon. Camp jubelt met kirrende falsetstem een vals ja, terwijl cult met grimmige oprechtheid een principieel nee uitstoot.

In onze tijd dreigt zowel camp als cult aan betekenis te verliezen, omdat de heersende cultuurindustrie uit repressieve tolerantie alle mogelijke subversieve elementen zo snel mogelijk zal willen annexeren. In haar recente essaybundel Maskerade signaleert Xandra Schutte om die reden het artistieke failliet van camp: `Camp is net zozeer door de huidige consumptiemaatschappij en cultuurindustrie ingelijfd als de jeugdige tegencultuur van de jaren zestig. (..) Ondermijnend of ontregelend is camp allang niet meer, eerder zelfgenoegzaam en nivellerend.' Door die inlijving door de heersende cultuur is camp volgens Schutte een loos en gecorrumpeerd begrip geworden.

Eenzelfde inlijving lijkt zich te voltrekken met cult, signaleren Calcutt en Shephard. De rebellerende `nay-sayer' is handelswaar geworden: `conglomerate publishing had driven the knife into cult fiction'. Calcutt en Shephard noemen het publiekssucces van Irvine Welsh' Trainspotting een voorbeeld van de overrompelende snelheid waarmee een commerciële markt zich meester maakt van het `klassieke' cultboek. En zij zien geen mogelijkheden tot reanimatie: `What was the counterculture is now the over-the-counterculture, the deviant behaviour at the core of cult fiction has reached the middle of the marketplace.'

Als de officiële cultuur zich erover ontfermt, verzandt nonconformisme vaak in pittoreske aristiekerigheid en clownerie. Dit gebeurt op vele niveaus: zie Paul de Leeuw, Herman Brood en Gerard Reve, die ieder op hun eigen manier ooit rebels waren en inmiddels volstrekt geaccepteerd en gewaardeerd - en dus getemd zijn. De getemde rebel verschraalt altijd verontrustend snel tot een taugenichts met een grote folkloristische charme. Deze fluwelen verstikking die ook cult-fictie bedreigt geeft een onvermoede betekenis aan het door Arie Storm gemunte begrip `oude cult'. Misschien is cult door de uitholling vanuit de officiële cultuur inmiddels een historisch begrip geworden en bestáát er misschien alleen nog maar oude cult, van Bukowski, Bulgakov en Burroughs tot Stein, Stoker en Sillitoe.

Ik aarzel. Er blijven schrijvers die ook nu nog ontregelende kwaliteiten hebben en die, ondanks de soms forse oplagen van hun romans, voorlopig niet worden geannexeerd door de culturele hoofdstroom waar zij met gepaste argwaan afstand van houden: Dennis Cooper, Bret Easton Ellis, David Foster Wallace, Douglas Coupland, Poppy Z. Brite, om een greep te doen uit de Amerikaanse literatuur. Groot-Brittannië heeft Will Self, Alan Warner, Julie Burchill.

Bestaan er in Nederland nog cultschrijvers? Iemand wiens werk op een aantal punten binnen de criteria van Calcutt en Shephard valt, Nanne Tepper, wordt grappig genoeg geëerd met een lang essay in het cult-nummer in Bzzletin - maar in het algemene gedeelte! Teppers romans De eeuwige jachtvelden en De vaders van de gedachte zijn weerbarstig genoeg om voor cultstatus in aanmerking te komen. Volgen we echter het in Cult Fiction geformuleerde kenmerk van uitsluiting door het literaire establishment, dan worden ook Teppers romans helaas goed bevonden in de verkeerde kringen: een Libris-nominatie is natuurlijk uitstekend voor de erkenning maar funest voor de cultstatus. Wat veel geportretteerden in Cult Fiction immers gemeen hebben is een gezonde verguizing door de officiële literaire kritiek - pas na jaren veranderend in een aarzelende waardering. De huidige consensuscultuur van poldermodel en politieke correctheid biedt daarom, in theorie, een ideaal klimaat voor stevige, harde, ik zou bijna zeggen ouderwetse cult.

Andrew Calcutt en Richard Shephard: Cult Fiction. A Reader's Guide. Prion, 303 blz. ƒ41,85

Bzzletin nr. 265. `Cult'. Bzztôh. ƒ12,50