Het was nieuw, het was een wonder

TOT HALVERWEGE de jaren '70 hadden computers de afmetingen van linnenkasten (formaat koelkast heette een minicomputer), en ze puilden uit van de draden. In 1971 lukte het Intel de eerste microprocessor te maken, een chip waarop alle reken- en controlefuncties van een computer waren samengebracht. Rond 1975 verschenen de eerste microcomputers die op zo'n microprocessor waren gebaseerd. Ze pasten op een bureau en waren betaalbaar voor kleine bedrijven en fanatieke hobbyisten.

Veel van deze voorlopers van de huidige pc's zijn zo goed als vergeten. De meest succesvolle, de Apple II (de Apple I was een soort bouwpakket dat het op de markt niet lang uithield), roept bij gebruikers van het eerste uur nog altijd een glimlach op. Toetsenbord en alle elektronica zaten in één vrij platte kast. Je kon daar een apart aan te schaffen monitor op aansluiten die op de kast kon staan achter het vlak van de toetsen. Zo'n monitor kende alleen de kleuren groen en zwart. Wie daar geen geld voor had of per se een beeld in kleur wilde, kon in plaats daarvan een televisietoestel aansluiten. Dan moest er bij de eerste versie wel voor 30 dollar een modulator worden gekocht en ingebouwd. Ook voor het opslaan van gegevens had je de keus: speciale diskdrives of een standaard cassetterecorder. De eerste versie had minimaal 4 kilobyte werkgeheugen (acht velletjes A4 – pc's van nu hebben 16.000 maal zoveel). Een Apple II met dit geheugen, zonder monitor, diskdrive of cassetterecorder kostte aanvankelijk 1.300 dollar. Een mogelijkheid om een printer of een modem aan te sluiten was standaard niet aanwezig.

``Het aardige van de Apple II was, dat-ie zo ruim in z'n jasje zat'', zegt Gerard van der Woude, voormalig voorzitter van de Apple-gebruikersgroep van de vereniging van computerenthousiasten HCC. De Apple II had acht uitbreidingsslots, waarin je speciale kaarten met elektronica kon schuiven. Zo kon je de computer naar believen uitbreiden zonder dat er een wirwar van dozen en draden ontstond. Pc's van nu hebben deze eigenschap ook, maar de meeste toenmalige computers niet. Overigens dacht het zakelijke brein van Apple, Steve Jobs, dat twee van die sleuven voldoende zouden zijn. Hij kon zich niet voorstellen dat zijn klanten meer dan een printer en een modem aan het apparaat zouden willen toevoegen. Compagnon Steve Wozniak, de technicus van de twee, wist dat computerhobbyisten, toen nog de voornaamste doelgroep, altijd nieuwe, onverwachte gebruiksmogelijkheden zouden verzinnen. Hij zorgde ervoor dat er acht slots kwamen. Mede daardoor werd de Apple op universiteiten een populair hulpmiddel voor het controleren van experimenten en het uitvoeren van simulaties. Maar ook voor het besturen van modelspoorbanen was het machientje geschikt.

Van der Woude's eerste Apple II had 8 kilobyte geheugen en dat bleek al snel te weinig. ``Ik kocht een floppy disk drive, maar toen ik die aansloot wilde hij niet werken. Het bleek dat het besturingssysteem voor die schijfeenheid zoveel geheugen nodig had dat nergens anders iets voor overbleef. Toen moest ik het geheugen uitbreiden: acht chips van 1 kB per stuk, samen voor 256 gulden (voor dat bedrag krijg je nu 128 megabyte – HB). Met bonzend hart ging ik aan het werk, omdat ik wist dat statische elektriciteit van je vingers zo'n chip onherstelbaar kan beschadigen. Maar het lukte.''

Alle chips in de Apple II waren uitneembaar. Journalist Hans G. Janssen, destijds maker van het radioprogramma Hobbyscoop, deed daar zijn voordeel mee. ``Door temperatuurwisselingen werkten de chips zich geleidelijk uit het moederbord omhoog. Daardoor werd na zo'n 30.000 gebruiksuren het apparaat onbetrouwbaar. Een vriend heeft toen alle chips losgemaakt en weer teruggeduwd. Daarna kon ik weer jaren vooruit.''

Voor Van der Woude, destijds projectleider bij Akzo Chemie, was dat een beproefde wijze van troubleshooting: ``Ik had alle chips in voorraad. Ging de computer kapot, dan verving ik ze gewoon allemaal. Dan deed-ie het weer. Vervolgens stopte ik de oorspronkelijke chips een voor een weer terug, net zolang tot ik wist welke de schuldige was.''

Dertigduizend gebruiksuren, dat is tien jaar lang acht uur per dag, elke dag van het jaar. Welke computer komt daaraan toe? Nu geen enkele meer, maar de Apple II hield het op de markt uit tot de introductie van de Macintosh in 1984, zij het dat vooral het werkgeheugen in de loop der tijd werd aangepast. Na 1984 is de Apple II nog jaren door bedrijven en particulieren intensief gebruikt. Janssen: ``Dat kwam doordat er zo ontzettend veel goede software voor was. Applewriter bijvoorbeeld was een geniale tekstverwerker, door één man geschreven. Alle essentiële functies zaten daar al in. Appleworks was een tekstverwerker en database in één, waarbij je zelfs al op het scherm kon zien hoe je werk er op papier uit zou komen te zien. Lotus was een toonaangevend rekenprogramma.'' Janssen weet van een boekhouder die nog altijd een Apple II gebruikt, samengesteld uit onderdelen van gesneuvelde exemplaren, om de administratie van zijn klanten op te doen. ``Maar na dit jaar is dat afgelopen, omdat de software het jaar 2000 niet aankan.''

Van der Woude herinnert zich vooral een eerdere fase van schaarste aan software. ``Het was moeilijk om aan programma's te komen; er was weinig confectieprogrammatuur. Er werd software geschreven door hobbyisten, leden van onze club, en ik bedacht dat ik cassettetapes met zulke programma's kon kopiëren op een stereo-installatie om ze dan te verkopen tegen kostprijs. Dan had ik ze meteen zelf ook.''

In tegenstelling tot Janssen heeft Van der Woude veel zelf geprogrammeerd. ``Eerst in Basic, later in Pascal. Dingen voor mijn werk ook, ja. Berekeningen voor het Stoomwezen, voor de aanleg van leidingen, de kostenbegeleiding. Het werd steeds complexer, ik ben daar een eind mee gekomen. Zo krijg je vertrouwen in de computer. Vandaag ben je meer gebruiker dan hobbyist. Software wordt door immense groepen geschreven. Door de overvloed aan geheugen is compact programmeren niet meer nodig. Eigenlijk is het niet leuk meer.''

``Het computergebruik was destijds anders, niet leuker'', vindt Janssen. ``Het was wel nieuw. Het was een wonder. Je kon bijvoorbeeld een database aanleggen met een paar honderd namen. Nu wordt zo'n lijst gesorteerd terwijl je tikt, maar toen wachtte je tot je er veel had ingevoerd, en dan liet je er het programma Bubblesort op los. En in niet meer dan anderhalve minuut was het sorteerwerk helemaal klaar! Dan was ik zo verbaasd, het bespaarde zo verschrikkelijk veel werk. Die verwondering is weg. Als je nu een computer aanzet gaat er geen schok meer door je heen.''

Dit is het eerste deel van een serie over oude computers.