Korter lesgeven basisonderwijs vraagt navolging

Een familie in Amsterdam daagt het bestuur van een basisschool voor de rechter met een aanklacht tegen de invulling van de arbeidstijdverkorting in het basisonderwijs. Ouders zijn hier boos over. Verschillende basisscholen vullen die arbeidstijdverkorting zo in dat de onderbouwklassen elke tweede week een vrije vrijdag hebben. Hoewel de media suggereren dat hiermee de vierdaagse schoolweek haar intrede doet, is dat dus niet zo. Slechts een gedeelte van de kinderen krijgt om de week een dag extra vrij. De instellingen houden zich aan het wettelijk vastgesteld aantal te geven lessen, blijven binnen de CAO en vullen die bovendien op een voor het personeel prettige wijze in. De veel gepraktiseerde constructie is volstrekt legaal. De gang naar de rechter is dan ook raar en dient een oneigenlijk belang.

Ouders van nu zijn tweeverdiener en komen door die vrije dag in de knoei met de kinderopvang, een even begrijpelijk als hypocriet punt. Begrijpelijk omdat het gewoon vervelend is. Het betaald functioneren van ouders staat of valt met een goede organisatie. Er hoeft maar iets mis te gaan en de stress giert door het huis. Anderzijds mogen diezelfde ouders best beseffen dat ze een hoge welvaart genieten, die ze onder meer te danken hebben aan een overheid die geld, verdiend uit bezuinigingen en economische groei, systematisch naar hen doorsluist in de vorm van hypotheekaftrek en dalende progressie in het belastingtarief. Dit particulier geluk is eenieder gegund, maar om dan via de rechter eenzelfde collectief voorzieningenniveau te eisen staat buiten de werkelijkheid. Tweeverdieners die de vruchten van paars plukken horen niet te zeuren over opvang voor hun jongste kinderen. Vanaf groep vijf hebben ze weer gewoon vijf dagen in de week les en is de oppas gratis. Met de afgesloten CAO in het basisonderwijs is dan ook niks mis, sterker nog, de invulling van het akkoord verdient navolging in het voortgezet onderwijs. In deze sector maken werkgevers en werknemers al jaren afspraken over arbeidstijdverkorting zonder dat de leraar er iets van merkt. Met het lerarentekort en het krappe budget als legitimatie gebruiken directies de decentrale ruimte voor eigen beleid om personeel elk jaar harder te laten werken. Dat is niet omdat directieleden slechte mensen zijn, ze kunnen vaak moeilijk anders. Als politici beslissen dat de vrije pakketkeuze dient te worden vervangen door tweede-fase-profielen, dan verdubbelt daarmee het aantal vakken. Meer vakken betekent minder lessen per vak, waardoor het aantal klassen en de hoeveelheid leerlingen per leraar stijgen. Al die vakken veroorzaken oneindig veel keuzevarianten, waardoor roosteraars gedwongen zijn de schooldag te verlengen. Voeg daarbij het gegeven dat een lesweek geen maximaal aantal lessen kent en het zal eenieder duidelijk zijn dat ook het volgend jaar de arbeidsproductiviteit in het voortgezet onderwijs weer zal stijgen.

De leraar is net een opgevoerde brommer. De cilinder is uitgeboord en de dempers zijn uit de uitlaat. Hij mag maar veertig, maar rijdt tachtig. Prachtig, die hoge snelheid. De nare kant van het verhaal is dat het apparaat er niet op gebouwd is, langzaam maar zeker trekt het frame krom. Dat is precies wat er mis is. Onlangs liet het VARA-programma Zembla een aantal deskundigen aan het woord die schande spraken over de hoge WAO-cijfers in het onderwijs. Een beetje flauw, want die cijfers mogen dan hoog zijn, ze laten zich eenvoudig verklaren. Een vergrijsd corps verwerkt in veranderende organisaties met nieuwe leerinhouden steeds meer kinderen, daar haakt wel eens iemand bij af. De invulling van de CAO zoals in het basisonderwijs zou hier een antwoord op kunnen zijn. Elke twee weken een lesvrije vrijdag waarop leraren tijd krijgen om de vernieuwing een gezicht te geven is winst voor alle partijen op middelbare scholen. Trainingen voor andere rollen die leerkrachten gaan vervullen, ontwikkeling van toetsen en onderlinge afstemming van vakken; het is momenteel vrijwilligerswerk en vindt veelal niet plaats. Op de meeste scholen verloopt de invoering van het studiehuis dan ook chaotisch, met als gevolg een geheel nieuw verschijnsel; niet alleen leraren maar ook leerlingen raken overspannen. De druk moet voor alle partijen van de ketel en dat zou met een tweewekelijkse vrije vrijdag kunnen. Ook in het voortgezet onderwijs zullen ouders hiertegen in het geweer komen. Dat is hun goed recht, maar zij vergeten dan wel dat ze afgerekend worden op hun eigen stemgedrag. Dit is kennelijk wat ze willen. Decennia bezuinigen op onderwijs heeft nu eenmaal gevolgen voor kwaliteit. Overigens hoeven diezelfde ouders geen nachten wakker te liggen door angstdromen over teruglopende carrièreperspectieven van hun kroost. Mensen die zich hier druk over maken en van daaruit naar buiten treden als belangenbehartiger komen overwegend voort uit de middenklasse. Het onderwijsbeleid van de laatste jaren heeft juist deze mensen op hun wenken bediend, waardoor hun maatschappelijke voorsprong op alles wat daaronder zit is vergroot. Individualisering van het leerproces, bevorderen van de zelfstandigheid, het stellen van vaardigheden boven kennis zijn allemaal verschijnselen die naadloos aansluiten bij het burgerlijk gedachtegoed. Mensen aan de onderkant van de samenleving begrijpen er in ieder geval niks van. De hierdoor gevormde tweedeling in de toegang tot de kennissamenleving wordt versterkt doordat de overheid zich terugtrekt uit de organisatie en scholen autonoom verklaart. Hierdoor ontstaat ruimte voor particuliere geldstromen. Het zal eenieder duidelijk zijn wat hiervan de consequentie is, scholen met een welvarend publiek worden rijker en kunnen een breed servicepakket aanbieden. Het zieltogende beroepsonderwijs verheft ondertussen het schrapen tot kunst en doet amper mee.

Het lot van kinderen uit lagere milieus, bestrijding van kansenongelijkheid, het zijn kennelijk geen onderwerpen meer in de opinievorming. Deze groep staat buitenspel en dat is een logisch gevolg van een overheid die het voor gezien houdt. Geen ouder die hiertegen te hoop loopt, laat staan naar de rechter rent. Deze maatschappelijke onverschilligheid valt niet goed te praten, maar als zelfs sociaal democratische bewindslieden voor dit onderwerp niet meer warmlopen is het wel begrijpelijk. Het onderwijs van nu ontkent maatschappelijke tegenstellingen, grijpt terug op het verre verleden en reproduceert de klassenverhoudingen weer als vanouds. Binnen niet al te lange tijd zal blijken dat universiteiten nog slechts bevolkt worden door een even homogene als elitaire groep; afkomst telt meer dan ooit. Het zou zinnig zijn om binnen deze context leraren ruimte en tijd te geven om in het contact met jonge mensen tenminste op microniveau goed te doen. De ADV-constructie in het basisonderwijs verdient alom navolging.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.

    • Ton van Haperen