Marktgerichte universiteit levert niets op

Bedrijven hebben geen enkele baat bij een `marktgerichte' universiteit, menen Woody van Olffen en Arjen van Witteloostuijn.

Angelsaksisch jargon is niet alleen in de computerwereld een must. Het hele bedrijfsleven is ermee geïnfecteerd. De taal die wordt gesproken door managementgoeroes, MBA-docenten en topconsultants, is overal dominant aanwezig. Behalve het recht-toe-recht-aan-gebruik van Angelsaksisch jargon in zinnen die veel weg hebben van `normaal' Nederlands, zijn nogal wat Engelse woorden in een Nederlandse taalmal gegoten. Ook de uitspraak wordt veelal gekenmerkt door een krachtige Nederlandse tongval (`kumpenie'). De Angelsaksische invloed beperkt zich niet tot het taalgebruik alleen – integendeel. De producenten van deze dynamische taaluitingen – (top)managend Nederland – handelen inmiddels conform de inhoud van het moderne jargon. Vooral de managementgoeroeconcepten mogen zich in een hardnekkige populariteit verheugen: key success factors, core competencies, total quality management, lean production, just-in-time, business process redesign, mass customization, employability, shareholders' value, et cetera. Een beetje goeroe beseft dat de levenscyclus van een `nieuw' panacee hooguit vijf jaar is. Om zijn eigen financiële levenscyclus te verlengen, moet een goeroe elke vijf jaar een nieuw medicijn introduceren. Het gevolg is dat het Nederlandse bedrijfsleven, in navolging van de grote buitenlandse voorbeelden (in jargon: benchmarking), van de ene hype naar de andere mode hyperventileert. In modern Nederlands: het bedrijfsleven is aan het hyperhypen.

Helaas is datzelfde bedrijfsleven van mening dat de andere partijen in de moderne kennismaatschappij moeten meehyperhypen. Overheden in het algemeen en universiteiten in het bijzonder zijn voor de hand liggende slachtoffers van deze bedrijfsblabla. Vooral het voorbeeld van de universiteiten is illustratief. In een recente discussie over de functie en rol van de universiteit in de samenleving, werd van verschillende kanten ingegaan op de pro's en cons van de universiteit als marktgerichte instelling. Hierbij werden scherpe contrasten zichtbaar tussen enerzijds verdedigers van de universiteit als academische denktank, die onafhankelijk van de directe maatschappelijke werkelijkheid kan en moet opereren, en anderzijds de voorstanders van een marktgerichte instelling waarbij de voortbrenging van universitaire producten moet aansluiten bij de maatschappelijke vraag en relevantie.

Einde discussie? Zeker niet. Eén belangrijke en dubieuze veronderstelling van de partijen aan beide zijden van het debat wordt immers zelden in twijfel getrokken: de gedeelde overtuiging dat het bedrijfsleven baat heeft bij academici die zijn opgeleid met actuele bedrijfsvraagstukken en `praktische' bedrijfsproblemen in het vizier. In het licht van de nieuwste hype is het bijvoorbeeld te verwachten dat universiteiten binnen afzienbare tijd moeten toegeven aan de roep om een plaats in te ruimen voor cursussen in spirituele creativiteit. Het bedrijfsleven doet zichzelf echter tekort door op dit soort kennis bij academici aan te dringen: van een academisch gevormde kandidaat mag en moet veel meer worden verwacht dan bekendheid met de laatste hypes. De `verse' academici moeten kunnen bijdragen aan een kritische reflectie op de gang van zaken vanuit een algemeen gevormde achtergrond.

Een blik in de keuken van de `moderne' economische en bedrijfskundige opleidingen in Nederland is veelzeggend. Een grote aandacht voor `actuele' en `praktische' verschijnselen als business process reengineering en total quality management is schering en inslag. Vanuit de markt, aldus de ondernemende universitaire bestuurder en docent, wordt deze kennis op prijs gesteld. Zonder blikken of blozen wordt toegegeven dat de studenten hierom zelf vragen.

Een universiteit moet haar krachten echter niet te veel aan dergelijk onderwijs verspillen. De universiteit beschikt over veel oudere krachten die hun waarde hebben bewezen bij het vormen van jonge mensen tot kritische academici die vanuit een wetenschappelijke houding aan de oplossing van problemen kunnen bijdragen. Lastige mensen vaak, maar in veel gevallen zijn zij hun salaris ruimschoots waard. Het bedrijfsleven zou geen genoegen moeten nemen met minder. Een academische opleiding van vier jaar is veel te kort om tijd te verspillen aan de praktische waan van de dag via oppervlakkige hypecursussen en uitgebreide praktijkstages. Na hun afstuderen lopen de studenten immers nog ongeveer veertig jaren stage in de bedrijfspraktijk; na hun afstuderen worden de studenten immers nog geconfronteerd met ten minste tien nieuwe managementhypes. Uiteraard is daarnaast kennis noodzakelijk terzake de praktijk van alledag. Voor het aanbrengen daarvan zijn de bedrijven echter uitstekend geëquipeerd.

Het bedrijfsleven moet in staat worden geacht om gericht de actuele specifieke bedrijfskennis zélf over te brengen op de jonge academici. Bedrijven zélf zijn in het algemeen beter op de hoogte van de werking van de laatste hypes in de praktijk van alle dag. Alleen de ondernemingen zelf hebben immers directe ervaring met de consequenties van de invoering van de nieuwste mode voor het dagelijkse reilen en zeilen binnen hun eigen specifieke bedrijf. Juist de moderne manager hyperventileert immers van de ene mode naar de andere hype.

Universiteiten worden daarmee ontslagen van de noodzaak tot directe marktgerichtheid, zodat zij zich kunnen richten op de taken waarvoor zij in de wieg zijn gelegd: academische vorming van jong talent en fundamenteel-wetenschappelijk onderzoek, waarvan de langetermijnbaten het kortetermijngewin van marktgerichtheid verre overstijgen. In de kenniseconomie die goeroes en politici met zoveel liefde omarmen, moeten talenten gericht worden ingezet. Voor universiteiten is de waardevolle taak weggelegd kritische academici op te leiden die waan van werkelijkheid kunnen scheiden. In de context van bedrijfswetenschappelijke opleidingen is bijvoorbeeld de kritische evaluatie van de vele hypes van veel groter belang dan praktische kennis over de implementatie ervan in bedrijf A of onderneming B. Dát is de kracht van academisch talent en dát kan het bedrijfsleven in het oerwoud van vaak contraproductieve managementhypes en peperdure organisatieadviezen veel winst opleveren.

De bijdrage van universiteiten aan opbouw en onderhoud van de kennisinfrastructuur behoort niet te bestaan uit het indirect subsidiëren van bedrijfscursussen. Investeren in specifiek menselijk kapitaal dient te gebeuren op de plaats waar dat menselijk kapitaal productief is: in de bedrijven zelf dus. De opbouw van algemeen menselijk kapitaal wordt daarmee weer het domein van de producenten van algemene intellectuele vorming: de universiteiten. Daarmee worden drie vliegen in één klap geslagen. In de eerste plaats hoeft de universiteit zich niet langer het vuur uit de sloffen te lopen om maar actueel en marktgericht te blijven. Zij kan zich richten op haar traditionele sterkten in de sfeer van academische vorming en fundamenteel onderzoek. In de tweede plaats wordt de veelbeklaagde vervaging tussen HBO'er en academicus naar de stoffige archieven van de marktmodejaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw verwezen. En in de derde plaats krijgt het bedrijfsleven een type academicus dat intellectuele meerwaarde kan leveren.

Zélf investeren in kennis is de opdracht voor het bedrijfsleven. En dat is hard nodig. De enorme overwinsten in polderwonderland Nederland blijken niet te worden geïnvesteerd in de bouw van nieuwe productielocaties, de scholing van het personeel, de verbetering van de productieprocessen, de start van nieuwe ondernemingen of de ontwikkeling van nieuwe producten. Misschien met uitzondering van 1995 en in mindere mate van 1996, is het niveau van de bruto bedrijfsinvesteringen ronduit teleurstellend. In de jaren 1992-'94 is zelfs sprake geweest van dalende bruto investeringen, met als absoluut dieptepunt de krimp met 4,7 procent in 1993. Opvallend is dat de daling van de Nederlandse investeringen in onderzoek en ontwikkeling vrijwel geheel te wijten is aan de afnemende inspanningen van het bedrijfsleven. Met weinig enthousiasme heeft het zich gestort op risicovolle investeringen in nieuwe producten en processen. De positie van de vijf grote multinationale ondernemingen die Nederland rijk is – AKZO Nobel, DSM, Philips, Shell en Unilever –, is tekenend. Het beleid van deze grote vijf is van doorslaggevende betekenis voor de omvang van de private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. In 1987 was bijvoorbeeld 67 procent van deze investeringen – bijna vier miljard gulden – afkomstig van de grote vijf. Maar de tijden zijn veranderd. In 1993 was hun aandeel teruggelopen tot 52 procent via een budget van nog geen drie miljard gulden, en in 1995 is de 50-procentgrens gepasseerd. De stijging in de andere delen van de Nederlandse bedrijfsleven, van nog geen twee miljard gulden in 1987 tot bijna drie miljard gulden in 1993, is helaas volstrekt onvoldoende om dit verlies te compenseren. Kortom: het wordt hoog tijd dat het Nederlandse bedrijfsleven de hand in eigen boezem steekt. De misplaatste verwijten in de richting van de universiteiten, met een voortschrijdende en ongewenste marktgerichtheid tot gevolg, moeten worden vervangen door constructieve bedrijfsinvesteringen in de ontwikkeling van het Nederlandse kenniskapitaal.

Woody van Olffen en Arjen van Witteloostuijn zijn als universitair docent respectievelijk hoogleraar bedrijfseconomie en bedrijfskunde verbonden aan de Universiteit Maastricht.