Jean-Paul Sartre: L'être et le néant, 1943

Gebrek aan pretentie kon Jean-Paul Sartre niet verweten worden toen hij in 1943 het filosofisch `essai' publiceerde dat hem beroemd zou maken. L'être et le néant (Het zijn en het niet) is, zo heeft Leszek Kolakowski ooit opgemerkt, `probably the most comprehensive title ever devised'. Er is letterlijk niets dat daarbuiten valt, en zelfs dat niet.

De inhoud van het boek was er dan ook naar. Het wilde de werkelijkheid beschrijven in haar diepste structuren en verste uithoeken, met gebruikmaking van de nieuwste filosofische methode, de fenomenologie, die Sartre in de jaren dertig had ontdekt. Hoger kan een systeembouwer niet inzetten en Sartre zou ook de laatste zijn die dat zou proberen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het ontwerpen van wereldsystemen in de filosofie in onbruik geraakt, al heeft Harry Mulisch met De compositie van de wereld in 1980 nog een poging gewaagd. Het mocht niet baten. Voor het oog van de wereld bleef Sartre, in de woorden van Alain Renaut, `le dernier philosophe'.

Een bepaald soort filosoof dan toch. De filosoof die `alles weet', overal een mening over heeft en zich niet laat opsluiten in de discipline van het academische bestel. Aan discipline heeft Sartre zich nooit veel gelegen laten liggen. Hij schreef en opinieerde erop los, niet altijd met gelukkige gevolgen. Zijn politieke misstappen zijn even berucht als de wijdlopigheid van zijn filosofische stijl, die in de loop der jaren alleen maar woordrijker werd. Ook L'être et le néant lijdt daaraan. Opgezet als een tegenhanger van Heideggers Sein und Zeit `à la française', werd L'être et le néant met zijn 722 bladzijden bijna twee keer zo dik.

Sartre schreef zoals hij sprak, als een tekstmachine die zichzelf moeiteloos op gang hield. Dat pakte niet altijd slecht uit. Wie de dagboeken leest die hij schreef tijdens de mobilisatie, ziet tussen de wederwaardigheden van het soldatenleven door bijna spelenderwijs de filosofie ontstaan die hij een paar jaar later in L'être et le néant zou systematiseren. Ook in dat laatste boek is hij op zijn best als het gaat om concrete menselijke gedragingen: de kelner die nèt niet helemaal samenvalt met zijn rol, het meisje dat zich gevleid de hand laat strelen maar verontwaardigd zal uitpakken wanneer haar aanbidder verder wil gaan, de man die door het sleutelgat gluurt en zich plotseling zelf bekeken voelt. Niet voor niets zijn dat de meest bekende passages uit het boek.

Sartre streefde een concrete filosofie na, die haar vertrekpunt nam in het alledaagse leven. De werkelijkheid is wat aan ons veschijnt, had hij geleerd van Edmund Husserl die in zijn fenomenologie `zu den Sachen selbst' wilde gaan. Maar terwijl Husserl daarbij alleen aan een soort wetenschapsleer dacht, wilde Sartre een filosofie die moderne mensen iets over hun leven te zeggen had. Heidegger, wiens werk hij aan het eind van de jaren dertig las, had hem laten zien hoe dat moest. Niet uit abstracte principes, maar uit alledaagse voorvallen moet worden afgeleid hoe de wereld zoals wij die ervaren, eigenlijk in elkaar zit.

Voor Sartre vielen de stukken pas op hun plaats toen hij zijn psychologische analyses uit de jaren dertig verbond met een filosofische terminologie die het cement leverde voor zijn wereldsysteem. Maar daarmee bereidde hij tegelijk zijn eigen mislukking voor. Want met het filosofische woordgebruik van Zijn en Niets, Op-zich en Voor-zich zweefde zijn boek onvermijdelijk weg in de ijle regionen van de abstractie waarin de `existerende' lezer zich nog maar moeilijk terugvond.

Bovendien liet Sartre zich niet alleen door Husserl en Heidegger inspireren. Ook Hegel, die in de jaren dertig door Alexandre Kojève in Frankrijk in de mode was gebracht, leverde hem de nodige bouwstenen. Zo modelleerde Sartre zijn opvattingen over de onderlinge betrekkingen tussen mensen op diens `dialectiek van de meester en de slaaf', tussen wie alleen maar strijd mogelijk is. En temidden van al die Duitsers bleef Sartre Fransman genoeg om de autoriteit van Descartes boven alles te willen handhaven. Diens `cogito' was het bleef het uitgangspunt van elk denken over het menselijk bewustzijn, hield hij Heidegger voor.

Uit dat alles brouwde Sartre een verbluffende filosofische mélange waarin de hele moderne wijsbegeerte samenkwam. L'être et le néant pretendeerde niet alleen de gehele werkelijkheid te beschrijven, maar was ook de uitkomst van minstens drie eeuwen filosofiegeschiedenis, waarvan het ongewild de zwakheden bloot legde. Want het is niet voor niets het laatste grote `systeem' gebleken dat de filosofie heeft voortgebracht. De pretentie dat zoiets mogelijk was, was inmiddels al danig ondergraven – niet in de laatste plaats door Heidegger, die Sartre in zoveel opzichten had geïnspireerd.

Nog aarzelend in Sein und Zeit, maar in de jaren dertig steeds duidelijker, had Heidegger afscheid genomen van het ideaal van de menselijke autonomie en de gedachte dat het individu zijn wereld als een heerser kon bestieren. Afhankelijkheid en beperktheid werden de wachtwoorden van zijn denken. Dat bracht vanzelf de onmogelijkheid van een wereldsysteem met zich mee. Hoe zou zo'n afhankelijke en beperkte mens zich ooit nog zo ver boven de werkelijkheid kunnen verheffen dat hij die, als een soort god, zou kunnen doorgronden en beheersen?

Maar voor Sartre vormde de menselijke autonomie en vrijheid nog altijd het eerste en onaantastbare geloofsartikel. Verraad daaraan stond voor hem gelijk aan `kwade trouw', de grootste doodzonde die een mens kon begaan. Beperktheid en afhankelijkheid komen in zijn vocabulaire in positieve zin dan ook niet voor, en dat verklaart waarom de verhouding tussen mensen voor hem wel de gestalte van een strijd moest aannemen.

Aan die pessimistische conclusie heeft Sartre wel willen ontkomen. In de laatste regel van L'être et le néant stelt hij een `moraal' in het vooruitzicht waarin een `authentiek' bestaan zou worden beschreven. Ondanks vele pogingen is die `moraal' er nooit gekomen, al heeft Simone de Beauvoir er in 1944 met haar essay Pour une morale de l'ambiguïté wel een gooi naar gedaan. Sartre zelf zocht de oplossing na de oorlog eerder in politieke richting. Maar ook zijn pogingen het existentialistische individualisme te verzoenen met een marxistische solidariteit hebben nooit echt willen slagen.

De pretentie van L'être et le néant bleek uiteindelijk te hoog gegrepen, al is de mislukking van het boek interessant omdat de impasse van het individualisme en autonomiedenken er zo duidelijk uit blijkt. Daarom is het boek meer een afsluiting van een periode dan een nieuw begin, hoe revolutionair en iconoclastisch het indertijd ook gevonden werd.

Degenen die zich door Sartres filosofie lieten inspireren, hadden daar meestal niet zoveel boodschap aan. Zij lieten L'être et le néant als bijbel van het visnetten- en coltruidenken grotendeels ongelezen en grepen liever naar de catechismus daarvan: de tekst van de lezing die Sartre in 1945 onder massale belangstelling hield en die onder de titel L'existentialisme est un humanisme furore zou maken. Daarin gaat het niet meer over Zijn en Niet, maar over vrijheid, verantwoordelijkheid, keuze en authenticiteit. Metafysische uitweidingen hebben er plaats gemaakt voor dilemma's uit het dagelijks leven en de psychologische observaties waarin Sartre ook in zijn literaire werk altijd in zijn element is geweest. De existentiefilosofie verdween in de coulissen; het existentialisme was de diva van de dag.

Jean-Paul Sartre: L'être et le néant. Gallimard, 1943.

Le même ouvrage. Nouvelle édition corrigée par Arlette Elkaïm-Sartre. Gallimard (1994), 700 blz. ƒ41,15