Nooit meer een congres bezoeken

Nederlanders noemen zich een nuchter volkje, maar zijn ze dat wel? Als er een internationale nuchterheidstest zou bestaan, dan vallen Nederlanders waarschijnlijk door de mand – wegens een typisch Nederlandse traditie: het congres, Neerlands collectieve gekte. Per dag hebben in Nederland zo'n zestienhonderd `externe bijeenkomsten' plaats, waaronder heel veel congressen.

Zomaar een congres in het Nederlands Congres Centrum aan het Haagse Churchillplein. Naam: Nationaal Overleg Telecommunicatie '99. Doelgroep: de top van de branche. Organisator: Eurocongres, marktleider in de congresindustrie. Aanwezig: honderden mannen, een paar vrouwen, één allochtoon. De top van Libertel, Nokia en Telfort zit schijnbaar gebroederlijk naast elkaar met soms, tussen hen in, iemand van het ministerie of van een bank.

Op het podium verschijnt Walter Etty. De ex-wethouder te Amsterdam, nu organisatieadviseur, klust deze dag bij als dagvoorzitter. Hij kondigt een spreker aan: Eric Huygen, een directeur van Dutchtone. Achter hem, op een videoscherm, ziet de zaal hem drie keer zo groot.

De directeur: ,,Onze kracht: amper bezig, honderdtachtigduizend klanten, apetrots.'' ,,Dekkingsvraagstuk vervroegd: onze kracht.'' ,,De kracht van Dutchtone richting eindgebruiker.'' ,,Het mobiele verkeer zal doorgroeien met veertig procent penetratie.'' ,,Onze kracht: micro-segmentatie.'' ,,Komende jaren nummer twee.''

Applaus en geen vragen uit de zaal. Op het podium verschijnt Willem Bemboom, deze dag schnabbelend als groepsinterviewer – hoewel hij zijn gasten aan een tafel regelmatig vergeet. ,,Hoelang duurt het nog'', roept de groepsinterviewer welhaast stampvoetend tot zijn publiek, ,,voordat wij zo'n apparaatje krijgen waarmee we op de hele wereld gebeld kunnen worden – met hetzelfde nummer als thuis?'' Laatst had Bemboom in een ver land een nare ervaring: hij kon daar niet worden gebeld. ,,En met wat voor apparaatje loop ik in de toekomst op zak? Kan ik daar dan ook mee betalen?''

Soms valt er jargon uit de wereld van de telecommunicatie. Dan krimpt Bemboom ineen, daarbij niet de indruk wekkend zich grondig op het congres te hebben voorbereid. Maar ach. Vanuit de zaal geen vragen: de lunch staat klaar en uitgelaten daalt de horde stropdassen van de trap.

De congressisten zijn niet op dit congres om nieuws te horen, want de concurrent luistert mee. Ieder grossiert in geheimen. Daarbij komt dat alle telecommunicatie-bedrijven grosso modo met hetzelfde bezig zijn. Ze zijn er niet om wat te leren, want wat er gezegd wordt, is al bekend en vormt hooguit een bevestiging van wat men al meende. Voor zo'n belastingaftrekbaar uitje leggen ze met gemak vijftienhonderd gulden aan entreegeld neer. Als ze eerlijk zijn verdedigen ze die uitgave met ,,we zijn hier om te netwerken''. Het congres is een begrotingstechnisch uit de hand gelopen borrel.

Je zou hopen op één mens met moed. Zo iemand die opstaat en roept: ,,De keizer heeft geen kleren aan.'' Een volk ten prooi aan collectief zelfbedrog. Een volk dat massaal naar congressen trekt, onder het motto: daar kun je wat van leren. Maar juist daar zit de angel: op een doorsneecongres leer je helemaal niets, of heel weinig. Vraag maar aan de wetenschap. Het moet voor wetenschapsvoorlichters een gruwel zijn: op congressen worden alle goede voorlichtingsmethoden met voeten getreden. Neem alleen al de meeste sprekers op congressen. Zij mogen dan wel deskundig zijn op het gebied van Vinex-locaties, de herziening van het belastingstelsel of de farmaceutische industrie, didactische vaardigheden zijn hun vreemd. Dat kun je hun niet kwalijk nemen, want dat is een vak apart. Maar feit is dat ze geen kaas hebben gegeten van het overbrengen van informatie.

Iedereen kan zelf de proef op de som nemen. Ga naar een congres, luister naar de sprekers en forum-leden, en kijk wat daar, pakweg een week later, van is blijven hangen. De kans is groot dat men het niet meer weet.

Dat op congressen de didactiek nogal eens te wensen overlaat, is voor de Vereniging Nederlandse Congresbelangen een aandachtspunt. Daar wordt aan gewerkt. Maar is dat wel verstandig? Dat zou de ondergang van de congresindustrie kunnen worden. Stel je voor dat congresgangers echt wat leren? Je moet ze niet te wijs maken. Anders komen ze niet meer.

Het congres is een typisch culturele rite, waarheen men gaat om zichzelf bevestigd te zien en te horen – dat gaat zeker op voor congressen in de gezondheidszorg en, in iets mindere mate, in het onderwijs. Daar hebben congressen een ronduit geruststellende functie. Zie je wel, we doen het goed, we zijn er nog en we gaan op dezelfde manier door.

Het congres is een miljardenindustrie die nog steeds groeit. Met bureaus die zelf onderwerpen bedenken om dan adressenbestanden van de doelgroep op te kopen in de hoop dat die hapt.

Niemand kan het congres ontlopen. Zelfs oorartsen worden ingeschakeld – voor de verstaanbaarheid. Er zijn gevallen bekend van hoogleraren die in de avonduren hun Eigen Congres organiseren - als hoogtepunt van hun carrière.

Het congres is een duur bijproduct van de Nederlandse overdreven overlegcultuur. Maar het is ook een lieflijk teken aan de wand. In en op het congres tonen Nederlanders dat ze bereid zijn zich voor veel geld bij de neus te laten nemen. Dat ze genoegen nemen met een wassen neus. Dat het niet om het vergaren van kennis gaat, maar om het in stand houden van een luchtballon. Op een congres tonen Nederlanders dat ze bereid zijn om te belazeren – en belazerd te worden.