Onverwachte ontdekking op de hooizolder

`Serendipiteit', door toeval vinden wat je niet zoekt, is het sleutelwoord voor de jaarlijkse poëziezomer in het Vlaamse dorp Watou. Voor de negentiende maal zijn in verlaten boerenschuren gedichten te lezen en te beluisteren; ze bevinden zich in gezelschap van hedendaagse beeldende kunst.

Tot aan de zomer is het dorp Watou in de zuidwesthoek van Vlaanderen een naamloos gehucht aan de grens met Frankrijk; hier eindigt het Nederlandse taalgebied, net voorbij de laatste boerenhove begint Noord-Frankrijk en, zuidelijker, de mediterrane wereld. Wie in de stille maanden van het jaar, behalve de zomer, Watou bezoekt zal niets anders vinden dan schamele leegstaande boerenschuren, gaten in het dak, uitgestrekte landerijen. Terecht een grensdorp in het schimmige land tussen België en Frankrijk.

Vanaf eind juni tot begin september, de volle zomer lang, wordt alles anders. In een boerderij, het Douviehuis aan de Markt ofwel Hugo Clausplein, hangt in het duister een stralend witte, lichtende bruidsjurk. Zwarte tegels omlijsten het gewaad, het is nog in een beschermende hoes gevangen. De Franse kunstenares Marie Ange Guilleminot (1960) ontwierp het kunstwerk, Manteau de lumière. In de aangrenzende ruimte zijn videobeelden te zien waarop zij, als een dwarrelende bruid, door de straten en over de pleinen van een grote stad loopt. Alleen. Auto's passeren haar, het is of een trein haar mee wil nemen. Ze lijkt op een ijle vrouwengestalte van een van de schilderijen van Leon Spilliaert.

Een gedicht van Philip Larkin begeleidt deze sculptuur: ,,Vergeef mij ook dat ik,/ toen je nog nieuw was, geen/ deksels feest kon vinden/ waar ik je dragen kon,/ zoiets waar kleren recht op hebben/ tot er een and're mode komt.'' De tijd in het Douviehuis staat stil. Acteur Dirk Roofthooft leest met innemend timbre het gedicht voor, niet alleen hier, op alle poëzielocaties van het dorp klinkt zijn stem uit de luidsprekers.

Dichter en uitvinder van de Poëziezomer Gwy Mandelinck koos de poëzie. Op initiatief van Jan Hoet, directeur van het Gentse museum voor Moderne Kunst, werd de Italiaan Giacinto Di Pietrantonio uitgenodigd de beeldende kunst te verzorgen. In samenspraak is het thema voor Watou `99 ontstaan: serendipiteit. Het toeval kan leiden tot een ontdekking, die nooit werd verwacht. Rutger Kopland wijdde er een dichtbundel aan: Wie wat vindt heeft slecht gezocht. Het is een intrigerende paradox die Kopland hier verwoordt. Ze geldt voor de wetenschap, en, gelukkig voor de bezoeker van Watou, niet in mindere mate voor poëzie en beeldende kunst. Zelden school er zoveel toverij in een dorp.

De bruidsjurk èn de poëzie van Larkin: het is een van die wonderlijke voorbeelden waardoor een reis naar Watou onvergetelijk is. Larkins woorden over kleren die recht hebben op een `deksels feest' dwingt tot denken: natuurlijk, de vrouw in haar bruidstooi haakt naar een huwelijksfeest. De Vlaamse dichter Charles Ducal schreef: ,,Wij reizen niet, wij houden de kamer,/ wij leven de jaren uit zonder lust/ om de zon aan te raken,/ wij zijn vrij// van de koorts naar de ruimere plek,/ de grotere liefde.'' De Brit Martin Creed (1968) vulde een voormalige woonkamer met kleurrijke balonnen. Loop erdoorheen, en het begint te ruisen in die kamer als de zee. Zo reizen we toch naar zee, ondanks Ducals woorden.

Tot voorheen was Watou vooral een Nederlands en Vlaams evenement. De Italiaan Di Pietrantonio bracht, door zijn keuze, zuidelijk licht naar het dorp. Dat betekent een verrassende humor. Zo staat aan de Kleine Markt een woonhuis leeg. Alberto Garutti (Italië, 1948) bedacht om in de aanpalende huizen met behulp van een sensor de bewegingen van de buren te registreren, waardoor in het verlaten huis de lichten gaan branden. Houden de buren zich stil, is het er schemerdonker. Dit is een visuele vorm van burengerucht.

De Nederlandse kunstenares Maria Roosen (1957) ontwierp een dorre boom waarin een grote, glanzende vorm hangt, een enorme kerstbal, net zo breekbaar, in de vorm van een vrouwenborst. Met dit beeld harmonieert het schitterende vers van de Griek Yorgos Seferis uit de bundel Op de wijze van Y.S. Het gaat over `de den die op het middaguur/ overweldigd door de hars/ zich dwingt een vlam voort te brengen.' Die vlam, dat is Roosens vloeiende sculptuur. Seferis voegt er de onheilspellende regels aan toe: ,,Dat wat voorbijging ging terecht voorbij.// Ook wat nog niet voorbijging/ moet branden.'' Meteen denk je aan de melancholieke klacht van J.C. Bloem over de vergankelijkheid en het voorgoed voorbije, en daar komt ineens die zuiderling met dat het terecht is dat voorbijgaat wat zo moet zijn.

Een van de plekken heet, hoe kan het anders, Grensland. In een stal waar ooit koeien stonden creëerde Tom Claassen (Heerlen, 1964) uit piepschuim een oneindige reeks van grote witte sarcofagen. Het is net een veldhospitaal, die roerloze, strakke bedden tussen de verticale en horizontale balken waaruit de stal is opgebouwd. Opeens is licht niet zacht en vriendelijk voor de ogen, maar hard, zoals een Zuid-Europeaan dat ervaart. De Spanjaard Rafaël Alberti dichtte dan ook: ,,Waarlijk, zoveel licht vernietigt alles. Het valt als een onmetelijk/ glinsterend stof omlaag.''

Een van de kunstenaars, Paola Pivi, ontving zojuist op de Biënnale van Venetië de Gouden Leeuw. Van haar hangt hier een reusachtige foto van honderd sterk op elkaar lijkende, ernstige Chinezen. Een miljardenvolk tot een foto gereduceerd, even overzichtelijk als de bakstenen achterwand van de zolder waar de foto hangt. Watou is ook verontrustend, en sluit daarmee aan bij de Biënnale. De Nederlandse kunstenaar Tiong Ang (Surabaya, 1961) maakte op een hooizolder een video-installatie van een man die lijdt aan het Syndroom van Down. Hij kijkt, meer dan levensgroot gefilmd, met een blik van grote verwondering en verbijstering om zich heen. Aan het leven heeft hij geen deel. Stemmen van mensen uit de gewone wereld klinken, ze bewegen. De man kijkt slechts. De installatie staat op een hooizolder, onder de man gaapt de diepte van de schuur. Het bijbehorende gedicht `De zoon die ik niet had' door Esther Jansma gaat als volgt: ,,Bleek een monster met een vacht/ die slechts ontstaan kan in het donker/ onder stenen.''

Poëzie is ook hard. In de stilte van de oude boerenschuur heerst schrik om wat er te zien is, te horen en lezen. Dit zoekt niemand in een stemmig grensdorp in zuidwest Vlaanderen, dat je het ineens vindt is onthullend en betekenisvol.

Watou Poëziezomer `99. T/m 5/9. Dagelijks 14.00-19.00u.