Monument slavernij is zinvol gebaar

Wij Nederlanders doen graag goed in de wereld en verbeelden ons al even graag dat wij eigenlijk altijd zo in de geschiedenis hebben gestaan. Maar intussen haalden Nederlanders tussen 1600 en het begin van de negentiende eeuw zo'n half miljoen Afrikaanse slaven naar de `Nieuwe Wereld', vooral naar Suriname en Curaçao.

Morgen vieren hun nazaten het Emancipatiefeest: op de eerste juli 1863 werd de slavernij afgeschaft. Daarmee kwam een einde aan een geschiedenis die vandaag slechts onbegrip en schaamte oproept. Niets aan deze geschiedenis is verheffend, niets ervan strookt met een hooggestemd Nederlands zelfbeeld. Er waren nauwelijks scrupules bij het begin van de slavenhandel, in onze Gouden Eeuw.

Het zal dan ook niemand verrassen dat Nederland met de afschaffing van de slavernij veel later was dan de Engelsen (1834) en de Fransen (1848). Achterlijk dus. Die afschaffing werd vertraagd door schraperigheid. De kwestie van de schadevergoeding lag namelijk ingewikkeld – schadevergoeding, wel te verstaan, aan de te onteigenen slavenhouders, niet aan de te bevrijden slaven.

Deze slavenhandel en slavernij vormen zwarte bladzijden in de vaderlandse en koloniale geschiedenis. Het is een cliché, maar daarom is het niet minder waar. In Nederland is dit verleden door de migratie vanuit de voormalige koloniën letterlijk teruggekomen.

Vandaag tellen wij zo'n 400.000 Nederlanders van (deels) Antilliaanse of Surinaamse afkomst. Meer dan de helft van hen stamt af van slaven. Voor wie het wil zien, fungeert hun aanwezigheid als een levende herinnering aan de koloniale tijd en de slavernij. Tot voor kort waren het er echter nog niet zoveel. Juist daarom groeide in Surinaamse en Antilliaanse kring, al te begrijpelijk, de ergernis en frustratie over Nederlandse onwetendheid en ontkenning. Die gevoelens werden vertaald in een ijveren voor symbolische erkenning.

Dat streven vond vorig jaar, 135 jaar na de afschaffing van de slavernij, eindelijk weerklank, getuige de uitspraken van onder meer premier Kok. En zo kwam `een monument voor de slavernij' op de politieke agenda, als iets dat niet alleen de Antilliaanse en Surinaamse, maar álle Nederlanders aangaat. Daarmee loopt Nederland overigens geenszins uit de pas of voorop. Frankrijk, Groot-Brittannië en Amerika zijn al verder – net als de eigen betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij staat ook de moeizame erkenning van dit verleden op gespannen voet met het rooskleurige Nederlandse zelfbeeld.

De roep om een monument is de roep om erkenning van dit verleden. Nederland staat vol met monumenten die het historisch bewustzijn van de Nederlandse natie moeten schragen. Toch herinnert nergens in Nederland ook maar één gedenksteen aan slavenhandel en slavernij.

Het is begrijpelijk dat de nazaten van de slaven het verdoezelen van deze zwarte bladzijden opvatten als blijk dat de nazaten van de verantwoordelijken nog steeds geen afscheid hebben genomen van dit verleden. Het is heel wat minder begrijpelijk dat hierover in Nederlandse kring vaak wordt geschamperd. Natuurlijk, eeuwen na dato is individuele verantwoordelijkheid vrijwel niet aantoonbaar. Maar er is ook zoiets als nationale verantwoordelijkheid, een gedeelde betrokkenheid van de burger van de Nederlandse staat bij het verre of recente verleden – bij Rembrandt en de Gouden Eeuw, Mondriaan, Cruijff of het poldermodel, maar ook bij de zwarte bladzijden.

Van een bevolking die mede door een langdurige verwaarlozing van het geschiedenisonderwijs langzamerhand begint te lijden onder historische amnesie mag wellicht niet worden verwacht dat deze spontaan de historische verantwoordelijkheid van `de natie' herkent en aanvaardt. Van de leiders van die natie kunnen en mogen wij zo'n besef wél verwachten. Daarom is het aan hen om dat statement te maken, dat slavenhandel en slavernij inderdaad deel uitmaken van de Nederlandse geschiedenis, als schakels en morele dieptepunten in de ontwikkeling naar de huidige, moderne natie.

Dat woord wordt nu eindelijk gesproken, op regeringsniveau. Een blijk dat Nederland zich bewust is van dit verleden en het aanvaardt zoals het ook de Antillianen en Surinamers in zijn midden aanvaardt.

Bij die woorden hoort een gebaar, zoals het doen oprichten van een monument – om de Nederlanders te `herinneren' aan iets wat de meesten van hen nog niet eens weten, en om de nazaten van de verhandelde Afrikaanse slaven althans deze genoegdoening te geven.

De oprichting van een monument is een teken van erkende lotsverbondenheid. Het zal de huidige sociale problemen van Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders niet oplossen; het zal geen einde maken aan obsessies met kleur en `ras'; het zal de politieke spanningen tussen Nederland en zijn voormalige koloniën niet wegnemen; het zal deze geschiedenis ook niet plotseling van de `faits divers' naar het centrum van het publieke debat brengen.Maar zoals gezegd, het zal een zinvol gebaar van bezinning en lotsverbondenheid zijn. Niet veel meer misschien, maar ook niet minder. En dat is al een hele stap.

Prof.dr. G.J. Oostindie is hoogleraar antropologie en comparatieve sociologie van het Caraïbische gebied aan de Universiteit Utrecht.