Kamer behoudt vertrouwen in Korthals

De Tweede Kamer behoudt het vertrouwen in minister Korthals (Justitie). Een ruime Kamermeerderheid is van oordeel dat de minister geen grote verwijten te maken vallen in de zogeheten cocaïne-affaire. Dit bleek gisteren na een uitvoerig debat tussen minister en Tweede Kamer.

Wel verschillen Korthals en de Kamer nog van mening over de omvang van het onderzoek dat moet worden ingesteld naar de kwestie van de doorvoer van cocaïne met hulp van overheidsfunctionarissen. Drie weken geleden stelde een speciale Kamercommissie onder leiding van het Kamerlid Kalsbeek dat het hierbij in totaal om 15.000 kilo cocaïne ging.

Korthals beperkt zich het liefst tot onderzoek naar alleen de strafrechterlijke kant van de cocaïne-transporten, die begin jaren negentig plaatsvonden.

De Tweede Kamer wil een breder onderzoek dat ook het (gebrekkig) functioneren van het openbaar ministerie blootlegt. Korthals zal de Kamer binnen enkele maanden zijn opzet voor een onderzoek voorleggen.

De Kamer liet zich overtuigen dat Korthals zelf niet verwijtbaar is opgetreden en nam genoegen met de toezegging van de minister dat hij ,,voortvarend'' zal optreden. Volgens Kamerlid Van de Camp (CDA) was er sprake van ,,een duidelijke breuk'' in het beleid na het aantreden van de minister. Korthals overtuigde de Kamer dat hij kort na zijn aantreden wel door zijn ambtelijke top was geïnformeerd over de cocaïne-transporten. De commissie-Kalsbeek veronderstelde dat dat niet het geval was geweest. Korthals noemde de omvang van 15.000 kilo overigens ,,speculatief''.

Ook bestreed de minister dat er na 1994, toen de overheid stopte met het doorlaten van drugstransporten om criminelen te pakken, sprake zou zijn geweest van corruptie van overheidsfunctionarissen. De minister doelde hiermee op ,,harde'' informatie over corruptie die zou kunnen leiden tot strafrechterlijke veroordeling. Volgens de commissie-Kalsbeek zijn er wel degelijk zogeheten ,,zachte'' aanwijzingen dat ambtenaren betrokken waren bij de cocaïnesmokkel.

De minister erkende dat bij het onderzoek naar de cocaïnetransporten verschillende parketten van het openbaar ministerie ,,langs en tegen elkaar'' hebben gewerkt. Hij erkende ook dat het onderzoek ,,beter had gekund''. Tegelijk nam Korthals zijn ambtelijke top en het openbaar ministerie in bescherming. Hij hield de Kamer voor dat hij volledig vertrouwt op de loyaliteit van zijn ambtenaren.

Op de vraag van Halsema (GroenLinks) of de minister bij zijn aantreden vorig jaar wellicht bewust niet was geïnformeerd door de ambtelijke top over de gevoelige kwestie van de cocaïne-transporten, antwoordde Korthals: ,,Waarom moet er altijd gedacht worden aan boze opzet? Welk belang zouden ambtenaren hebben om mij niet te informeren?''

De minister bestreed dat de commissie-Kalsbeek hem begin dit jaar precieze informatie had gegeven dat het bij de cocaïnetransporten om 15.000 kilo zou gaan. Volgens de minister handelde het gesprek, dat hij als ,,merkwaardig en wezenloos'' typeerde, vooral over het verzoek van de commissie om politiebescherming. Overigens had Korthals de kwestie van de cocaïnetransporten liever vertrouwelijk met de Kamer besproken, zo zei hij nadrukkelijk. In het debat zei de minister ook herhaaldelijk dat hij verlangde informatie niet kon geven op grond van de ,,operationele'' kanten van lopend strafrechterlijk onderzoek.

De Tweede Kamer moet morgen beslissen over een voorstel van de PvdA om een speciale Kamercommissie de mogelijkheid te geven vertrouwelijke informatie over het lopende opsporingsonderzoek te beoordelen. Een groot deel van de Kamer lijkt hier tegen, omdat deze constructie strijdig zou zijn met het grondwettelijke recht op informatie van ieder Kamerlid.