Jakkes, hij is nog niet dood

Natuur is voor tevredenen of legen, citeer ik. En wie van dieren houdt is saai, bekrompen en mensenschuw. Dat vind ik. En daarom blijf ik meestal in de stad. Maar ik ben in Zimbabwe en Mirjam wil naar het Matopospark. Volgens haar verblijven daar sabelantilopen, impala's, zwarte adelaars, bavianen en luipaarden. Van mij hoeft het niet. Ik heb geen vrolijke associatie bij olifanten en sabelantilopen.

,,Je doet jezelf te kort'', zegt Mirjam. ,,Wilde dieren zijn mooi. Ze zijn altijd anders dan je je voorstelt. Je kunt ervan genieten, gewoon, door er naar te kijken. Bovendien zijn ze volstrekt autonoom en niet in ons geïnteresseerd. Behalve als ze honger hebben natuurlijk.'' Mirjam lacht.

Met tegenzin huur ik de volgende ochtend een auto. We kiezen voor de goedkoopste, een gammele Toyota Corolla. Overal zitten onderdelen los, in de banden zijn nieuwe stukken geplakt, onder het gaspedaal zit een gat waardoor het asfalt schemert. De deur kan enkel via het raampje open. Wijselijk kijk ik niet onder de motorkap.

Matopospark heeft een entree zoals in elke dierentuin. Inclusief een bord met waarschuwingen om in de auto te blijven en de beesten niet te voederen. Stapvoets rammelen we over een stalen rooster. Een Britse familie volgt in een sleetse Lada. Vader, moeder en hun twee kinderen dragen een tropenuniform. We betalen de entree. Een man in uniform noteert ons nummerbord.

,,Waar zit de neushoorn?'' grap ik tegen de man. Hij vertrekt geen spier.

,,Well sir.. aan het einde van deze weg slaat u rechtsaf, bij de eerste rots gaat u naar links. Dan ziet u een groepje van drie bomen. Daar staat de neushoorn.''

Beduusd rij ik door. ,,Ik kan me toch niet voorstellen dat zo'n beest op één plaats blijft staan'', zegt Mirjam.

We draaien bij de rots linksaf en zien de neushoorn. Het dier is niet alleen. Hij verkeert in gezelschap van een bewaker. Een man in uniform, met een machinepistool over zijn schouder. De neushoorn is nog maar een baby van amper een meter hoog. Sloom suft hij onder zijn boom. Een leren riem verbindt zijn nek met de boomstam. ,,Wat zijn de dieren wild in het oerwoud'', schamper ik. Mirjam ergert zich.

De bewaker zegt dat biologen een chip hebben aangebracht in de hoorn van de rhino. Het machinepistool moet ervoor zorgen dat het monster met zijn hightech neus niet door stropers wordt afgemaakt. Als we willen mogen we hem wel aaien. Ik duw tegen de hoorn, massief blijft het dier op zijn plaats. Ik krab wat in zijn nek van boomschors.

Naast ons verschijnt de Engelse familie. Ook zij aaien het dier over zijn rug en voelen aan zijn hoorn. Gelaten laat de neushoorn zich betasten. Dan vraagt de vader ieder een stapje achteruit te gaan. Hij geeft de bewaker enkele Zimbabwe-dollars. Die snapt meteen wat de bedoeling is. Hij haalt de riem van de neushoornnek, foefelt hem achter een boom en verdwijnt eveneens naar de achtergrond. Dan knielt de vader tussen de struiken. Hij richt zijn camera en zorgt ervoor dat hij wat takken op de voorgrond meeneemt. Via het perspectief van de camera zal het slome dier grootse proporties aannemen. Ik zie de brave man al tussen de schuifdeuren met zijn dia's: ,,Het is zo gemakkelijk nog niet om een rhino te fotograferen, het lukt alleen als je diep genoeg het woud binnendringt.''

Matopospark is beter bewegwijzerd dan de slums van Harare. Op alle kruisingen staan bordjes die verwijzen naar uitzichtpunten of drinkplaatsen. We stappen uit bij getimmerde verhogingen, zetten de Corolla op aangeveegde parkeerplaatsjes en kijken waar we moeten kijken. We bestuderen de bordjes waarop de dieren in hun contouren zijn afgebeeld: springbokken en bavianen, kudu's en klipspringers. We turen in de verte. En zien een horizon van bruin gras met plukjes bomen en struiken. ,,Mooi is die Afrikaanse natuur'', schamper ik. Mirjam zwijgt.

Het volgende uitzichtpunt levert evenmin resultaat. Zonder succes koersen we van uitzichtpunt naar uitzichtpunt en passeren ruige pick-uptrucks in safarikleuren. Op het dak een inboorling met hakmes en geweer. In de laadbak toeristen met Crocodile-Dundee-hoeden op bankjes. Zij volgen met hun camera's de wijzende vingers van hun gidsen. Gemeten aan hun opgetogen blikken zien zij wat wij niet zien.

Pas op de terugweg van Matopos ontmoeten we een wild dier. Een aap. En ik vermorzel hem ter plekke. Plots schiet hij uit het struikgewas en stort zich onder de wielen van de Corolla. We beseffen niet meteen dat het een aap is. De auto bonkt over een donker lichaam dat ook van een hond had kunnen zijn. Of van een kind.

We stoppen. De motor slaat af. De stilte is abrupt. Het stof slaat neer en door de achterruit zien we dwars over de weg het lange lijf van een baviaan.

,,Een aap'', zegt Mirjam. De aap tilt zijn hoofd op, dat machteloos weer neervalt. ,,Jakkes, hij is nog niet dood.''

,,Wat doen we nu?'' Onze reisgids meldt wel hoe een aap eruit ziet, maar niet wat te doen als hij onder je auto komt.

,,Ik zal er nog eens overheen rijden'', zeg ik, moediger dan ik ben. Mirjam stapt uit en loopt verder. Ze is nog steeds chagrijnig. ,,Ik wil jouw slagerswerk niet zien.''

Ik zet de auto in z'n achteruit, rij terug en draai om de aap heen. De mond van de baviaan spert open alsof hij grijnst. Tussen de scherpe tanden sijpelt bloed. Hij kijkt naar zijn moordenaar. Vanachter mijn raampje kijk ik naar hem. Het spijt me, jongen.

Ik rij de auto verder terug, zet de rechterband in één lijn met het apenhoofd en geef gas. Op de hobbelige zandweg glijdt de auto weg. De wagen mist het hoofd en met één wiel plet ik de heupen van het dier. Shit. Weer terug. Opnieuw draai ik om de aap heen. Door het geraas van de motor hoor ik hem krijsen. Mijn handen glibberen nat over het stuur als ik het apenhoofd in volle vaart weer nader. Nu is het raak. Onder de brede banden van de Corolla spat het bavianenhoofd in stukken. Ik slik en draai al rijdend het raam weer open. Drooghete savannelucht waait om mijn gezicht. De weg maakt een scherpe bocht. Mirjam staat onder een boom op me te wachten.

,,Hij is vertrokken'', meld ik. ,,Ik hoorde het'', zegt Mirjam. Haar gezicht is bleek. ,,Dat krijg je ervan als je niet van dieren houdt.''

Ik stap uit en inspecteer de banden van de auto. Het profiel van de voorbanden klontert vol zand. Aan de bumper kleven haren.

Zwijgend rijden we door de vallende avond terug naar de stad.