Grote energieverbruikers moeten meer betalen

Om het broeikaseffect efficiënt te kunnen reduceren, moeten grootverbruikers van energie hiervoor meer betalen, menen Wolfgang Richert en Kees Vendrik.

In het Japanse Kyoto zijn in december 1997 internationale afspraken gemaakt over het klimaatbeleid. Vergeleken met 1990 is Europa verplicht in 2010 de uitstoot van broeikasgassen met 8 procent te hebben verminderd. In de Europese onderhandelingen over Kyoto heeft het paarse kabinet een doelstelling van 6 procent voor Nederland afgesproken. Vergeleken met de eerdere inzet van het eerste kabinet-Kok – minister De Boer (Milieu) vond voor Europa en Nederland ambitieuzere doelstellingen noodzakelijk – is dit een haalbare reductieverplichting. De vraag is echter hoe het kabinet haar wil verwezenlijken. In het totale pakket van maatregelen valt op dat het kabinet een belangrijk deel van die verplichting in het buitenland wil realiseren en dat grote energieverbruikers met fluwelen handschoenen worden aangepakt.

Het kabinet kiest ervoor de Kyoto-doelstelling voor de helft te realiseren via maatregelen in het buitenland. Dat wil zeggen dat door Nederland gefinancierde projecten in ontwikkelingslanden en in de voormalige Oostbloklanden meetellen voor de Nederlandse reductiedoelstelling. Internationaal is afgesproken dat de helft van de doelstelling op deze manier mag worden gehaald. Nederland is het enige land dat maximaal inzet op buitenlands klimaatbeleid. Dat heeft het merkwaardige gevolg dat in ons land de uitstoot van CO2, het belangrijkste broeikasgas, zelfs nog mag toenemen. Dat is een riskante strategie. Iedereen weet dat Kyoto slechts een eerste stap is. Breed gedeeld, ook door het kabinet, wordt de opvatting dat de rijke landen in de volgende eeuw een nog veel forsere reductie moeten bewerkstelligen (80 procent). Nieuwe onderhandelingen over een vervolg op Kyoto worden echter gefrustreerd als rijke landen als Nederland er tot 2010 zelf niet in slagen zuiniger om te gaan met energie.

Dat het kabinet zoveel mogelijk internationaal milieubeleid voorstelt, is te verklaren uit de geslaagde lobby van de grootverbruikers van energie in de industrie. Zij zijn tegen verdergaande nationale maatregelen en worden uitgesloten van een hogere energieheffing. Paars wil met de grootverbruikers het zogenoemde benchmarkconvenant afsluiten. Een convenant waaraan de Tweede Kamer deze week haar goedkeuring moet geven, zonder dat er al een debat is geweest over het gehele klimaatbeleid.

Dit convenant houdt een afspraak in waarin de grootverbruikers toezeggen dat zij internationaal vergeleken zo efficiënt mogelijk met energie zullen omgaan. Gerelateerd aan energie-efficiency zouden zij tot de 10 procent beste bedrijven moeten gaan horen. De overheid belooft in dit convenant geen nadere maatregelen voor grootverbruikers te introduceren (een afspraak die geldig is tot 2012, waarmee paars drie kabinetten verder over het graf regeert). De verwachting is dat 80 procent van het industrieel energiegebruik onder deze afspraak zal vallen. De verwachte bijdrage van dit convenant op de terugdringing van broeikasgassen is slechts 2 megaton (de 6 procent-doelstelling komt overeen met 50 megaton). Bij de miljoenennota 1999 heeft de Raad van State forse kritiek geuit op deze aanpak. Het milieubeleid wordt inconsistent genoemd: ,,De financiële prikkel wordt niet gehanteerd waar hij stellig wel zou werken en wel gehanteerd waar hij veel minder werkt.''

Ernstiger is dat met dit convenant ook de Nederlandse inzet voor een Europese energieheffing lijkt te zijn veranderd. De vrijstelling voor grootverbruikers van nationale energieheffingen is altijd verdedigd met het argument dat de concurrentiepositie zou worden aangetast. Alleen in Europees verband zou een energieheffing mogelijk zijn (in antwoord op de Raad van State stelde het kabinet zich al jaren in te spannen voor een Europese heffing). Paars is nog steeds voor een Europese energieheffing, maar heeft de grootverbruikers beloofd te pleiten voor Europese vrijstellingen voor grootverbruikers. Niet alleen het milieubeleid is inconsistent, nu wordt ook de argumentatie en de inzet van het kabinet inconsistent.

Het wordt nog gekker. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de internationale vergelijking. Het kabinet stelt voor dat grootverbruikers een consultant vragen een vergelijkende rapportage op te stellen. Vastgesteld moet worden hoe de energie-efficiency van Nederlandse bedrijven zich verhoudt tot die in het buitenland. Daarvoor is specifieke kennis over productieprocessen nodig. Denkt het kabinet echt dat buitenlandse bedrijven staan te springen om concurrentiegevoelige informatie ten behoeve van het Nederlandse milieubeleid openbaar te maken? En hoe onafhankelijk zullen de door het bedrijfsleven betaalde consultants omgaan met gebrekkige informatievoorziening? Onze voorspelling: alle Nederlandse grootverbruikers behoren tot de wereldtop als het gaat om energie-efficiency. En dat terwijl de prijs voor energie in Nederland duidelijk lager is dan in het buitenland. Conclusie: een bureaucratisch inefficiënt mechanisme wordt ontworpen – juichend door het bedrijfsleven ontvangen – waarmee slechts een zeer geringe bijdrage aan de reductie van broeikasgassen wordt bewerkstelligd.

De uitzonderingspositie voor de grootverbruikers neemt de overheid de instrumenten uit handen om zo nodig extra beleid te introduceren. Bovendien moeten huishoudens en kleinere bedrijven daardoor onevenredig bijdragen aan het verwezenlijken van de reductiedoelstelling.

Ook het grootbedrijf moet via een energieheffing aangeslagen worden voor zijn energieverbruik. Bij de vormgeving van deze energieheffing moet gekeken worden naar de Europese prijsverhoudingen. Voor elektriciteit zijn de prijzen voor grootverbruikers 40 procent lager dan het Europees gemiddelde. Voor aardgas is dat verschil 15 procent in het voordeel van de Nederlandse grootverbruikers. Dat biedt ruimte voor een prijsverhoging die niet ten koste hoeft te gaan van de concurrentiepositie. Een energieheffing waarbij de prijs voor grootverbruikers minimaal op het Europese gemiddelde komt te liggen, levert een aanzienlijk grotere bijdrage aan de reductiedoelstelling dan de afspraak die grootverbruikers met het kabinet hebben gemaakt. In tegenstelling tot afspraken, zorgt een prijsverhoging voor een energiebesparend innovatieproces.

Kees Vendrik is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van GroenLinks. Wolfgang Richert is beleidsmedewerker bij deze fractie.