Gewenste uitkomst

MINISTER KORTHALS (Justitie) is een Haagse professional. Hij heeft er oog voor dat problemen meestal meer dan een kant hebben zonder dat hij de blik verliest op de politiek gewenste uitkomst. Zijn jarenlange ervaring als VVD-woordvoerder voor justitie in de Tweede Kamer maakt hem nog steeds een beetje ,,een van ons'' voor de commissie-Kalsbeek, die de nalatenschap van de parlementaire enquête-Van Traa over de bijzondere opsporingsmethoden beheert. Toch had Korthals gisteren in het parlement het nodige uit te leggen. Er blijkt maar liefst vijftienduizend kilo cocaïne het land te zijn binnengesmokkeld onder de neus van politie en justitie. Zeker voor een deel was dat een bijproduct van de zogeheten Operatie Delta die de stoot gaf tot de parlementaire enquête. Veel meer dan een hakkelend onderzoek naar dit schandaal heeft de justitie niet opgebracht. En de minister werd slechts mondjesmaat – ,,op hoofdlijnen'' – geïnformeerd door het apparaat.

Een parlementaire discussie over een lopend strafrechtelijk onderzoek is altijd lastig. Dat wist Korthals in elk geval goed. De commissie-Kalsbeek had zelf al gezegd dat deze omstandigheid beperkingen oplegt. Dus verdween Korthals met Kamerleden achter gesloten deuren voor een vertrouwelijk vooroverleg. De vijftienduizend kilo had hij toen al bekwaam opgesplitst in een partij parallelimport, een dosis corruptie van individuele overheidsambtenaren en een rest aan gewone criminaliteit.

ALS LAATSTE verdedigingslinie had de bewindsman dan nog de ingebouwde onzekerheidsfactor van ieder strafrechtelijk onderzoek: er moet een reëel perspectief zijn op veroordeling van mogelijke verdachten. Dit type onderzoek dient steeds te worden beoordeeld naar zijn doel, het voor de rechter brengen van een sterke zaak c.q. verschillende sterke zaken. Zeker voor de eerste tranche van het cocaïneschandaal is het niet eenvoudig hard strafrechtelijk bewijs op tafel te krijgen omdat veel materiaal ,,besmet'' is door de Operatie Delta.

Die complicatie beperkt ook het oordeel over de wijze waarop het openbaar ministerie (OM) onder eindverantwoordelijkheid van Korthals met deze zaak is omgesprongen. Maar dat geldt alleen voor het juridische aspect. De commissie-Kalsbeek heeft ook reële en verontrustende vragen opgeworpen over de bestuurlijke kant van de zaak, de onderlinge nijd en soms zelfs regelrechte tegenwerking binnen het gerechtelijke opsporingsapparaat. Een ,,organisatiecrisis'' noemde Van Traa cum suis het en hij ging hand in hand met een ,,gezagscrisis''.

Korthals is de laatste die zich van deze vragen kan afmaken, want hij heeft van harte meegewerkt aan een ingrijpende reorganisatie van het openbaar ministerie. De operatie loopt nog steeds en heeft ten doel de greep van het OM op de opsporing te vergroten en het tegelijk beter aanspreekbaar te maken voor de politieke overheden. Het aspect van de politieke aanspreekbaarheid is niet zonder risico voor de staande magistratuur en noopt dus tot ,,terughoudendheid'', zoals het Kamerlid Korthals eens waarschuwde. Maar hij koos vervolgens onomwonden voor ,,een sterkere band tussen minister en OM''.

DAT SCHEPT NU de nodige verplichtingen voor minister Korthals. In de afgewogen formulering van de bewindsman heeft het OM-college van bestuur ,,juist de laatste maanden'' ernst gemaakt met ,,de daadwerkelijke sturing van het onderzoek''. Dat impliceert een erkenning dat de OM-top eerder tekort is geschoten. Mede onder zijn bewind. Korthals heeft op aandrang van de Kamer nu een breed onderzoek toegezegd naar het cocaïneschandaal. De omvang van dit onderzoek is echter nog onduidelijk. In elk geval behoort daartoe gerichte aandacht voor de corruptiesignalen en een duidelijke boodschap aan al te vrijmoedige onderdelen van het opsporingsapparaat dat het afgelopen moet zijn.

Aangeschoten wild, zoals zijn veelgesmade voorganger Sorgdrager, is minister Korthals niet. Maar van vragen over zijn oplettendheid en daadkracht is hij allerminst af.