De buigende elite

De afgelopen twee weken hebben in Amsterdam vier grote culturele gebeurtenissen plaatsgevonden. Het Van Gogh Museum met zijn uitbreiding werd heropend (en het Museumplein is nu weer zichtbaar, minus 44 lindebomen maar in ongerepte wijdheid); de discotheek Roxy brandde af waarmee het begrafenisfeest voor de kunstenaar Peter Giele ontijdig eindigde; de contracten voor de duurste Nederlandse speelfilm aller tijden naar Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel werden ondertekend, en in de Arena verzamelden zich 50.000 jongeren van de EO voor zang en gebed.

De kunst valt niet te ontlopen. Op weg naar het werk kom ik langs een groot affiche, een boos kijkende man met een beschilderd gezicht. Hij zegt ATTACK! (Het gaat om een fototentoonstelling). Voor het Van Gogh Museum staat om tien uur al een lange rij. Er zijn nu onderaardse garages voor de bussen van de kunstliefhebbers. Mensen uit de provincie en Amerikanen vragen de weg naar de Nachtwacht. De kunst valt niet te ontlopen. Dat is nog maar de hoofdstad. Tel daarbij op de tientallen festivals en evenementen in `de provincie' en je hebt in ieder geval een groot deel van het bonte Nederlandse panorama dat deze zomer het volk tot kunst en cultuur zal brengen. De vraag van vandaag is: hebben we hier te maken met elitecultuur of massacultuur? Ik weet het niet.

In zijn nota heeft de staatssecretaris voor Cultuur laten weten dat hij het beste populair wil maken en het populaire beter (copywriter met talent). Ik help hem wensen dat het lukt. Maar hoe? Daarover gaat het debat, om het zo maar te noemen. Hoe kan iedereen aan zijn artistieke trekken komen en welke zullen dat zijn? Het vraagstuk van de democratie der gelijkheid en het complex van kunst en cultuur is nu eenmaal dat niet allen met hetzelfde talent, de energie en illusie zijn bedeeld, en dat de smaken van de afnemers verschillen. Het vraagstuk van een staatssecretaris, die is aangesteld om het algemeen belang te dienen, is deze veelheid van creatieve ongelijkheden met de veelheid der smaken dusdanig in overeenstemming te brengen dat daarmee het algemeen belang zoveel mogelijk gediend is. Dat is onbegonnen werk, maar toch eist onze samenleving met haar verlichte beginselen dat het altijd weer wordt ondernomen. Het resultaat is dat iedereen ontevreden over de staatssecretaris is.

Ik beschrijf het gemiddelde van een aantal ware gebeurtenissen om het dilemma te verduidelijken. Een beeldend kunstenaar heeft van de gemeente opdracht gekregen voor een plantsoen een sculptuur te maken. Hij maakt iets dat we voor de gelegenheid `Door de spiegel' zullen noemen, in brons, drie meter hoog, interactief. De kenners hebben niets dan lof. Het werk wordt op de sokkel geplaatst. De omwonenden zien het met gemengde gevoelens aan. Daarna, door wat voor oorzaak dan ook, krijgt kritiek de overhand. Kritiek verandert in afkeer, walging, protest, scheldpartijen, adressen aan de gemeenteraad. Wat doet de overheid? Het beeld wordt 's nachts naar een verre buitenwijk verplaatst, of, wat ook wel is voorgekomen, vernietigd. De kunstenaar is gegriefd, de overheid die daarvoor tenslotte de verantwoordelijkheid draagt, gaat over tot de orde van de dag, en de zegevierende partij der omwonenden krijgt een waterpartij waarvan de fontein iedere avond om acht uur buiten werking wordt gesteld, om slaapstoornissen te voorkomen.

De kunstenaars zijn partij op de vrije markt. Dat is altijd zo geweest. De kunstenaar, welke muze zij of hij ook is toegedaan, begint als kleine zelfstandige, en als het hem economisch goed gaat blijft hij dat tot zijn laatste inspiratie. Dat de overheid alle kunstenaars financieel moet beschermen, ongeacht wat ze er op de vrije markt van terecht brengen, is een betrekkelijk modern denkbeeld waarvan men de laatste tijd weer is teruggekomen. De vrije markt heeft meer invloed dan ook en de ontwikkeling der kunsten kan zich niet daaraan onttrekken. Dit betekent dat, volgens het recht van de sterksten, ook in de kunsten diegenen de grootste overlevingskans hebben die `het best in de markt liggen'. Daarmee is niet gezegd dat deze sterksten zich erop hebben toegelegd vóór alles na te gaan wat het best voorkoopbaar is, dat wil zeggen eerst aan het marketen te gaan. En zelfs als ze dat doen hoeft daar niet per se slechte of gemakzuchtige kunst uit voort te komen. Het is alleen waarschijnlijker dat op de vrije markt de partij van de omwonenden op den duur aan het langste eind trekt. Mij dunkt dat een overheid dan nuttig werk kan doen door de economisch zwakke kunstenaar – allochtoon, piepjong genie uit de Grachtengordel, oude boerin uit de provincie – in bescherming te nemen. Of, om eens iets heel anders te noemen, het subsidiëren van het Amsterdamse New Metropolis. In zulke zaken kunnen geweldige vergissingen worden gemaakt (zoals, vind ik, de aankoop van een Mondriaan voor 80 miljoen gulden), maar dat beroepsrisico hebben we de overheid dan democratisch toegestaan.

De overheid is in haar bescherming van de economische zwakke kunst geen bondgenoot van de oorverdovende krachten die het op de vrije markt voor het zeggen hebben, noch een handlanger van de zogenaamde elite der fyne luyden die naar de gesubsidieerde concerten gaan (en zodoende meehelpen de continuïteit van de cultuur te bewaren – ook een verdienste). De overheid beschermt wat in wording is en wat niet automatisch op de bijval van uitverkochte stadions kan rekenen. Dat is geen verdediging van de `ivoren toren' zoals Serge van Duijnhoven gelooft. Iedereen heeft toegang, maar ze willen niet allemaal. Het beschermen van wat niet iedereen wil, hoort tot het waarborgen van de continuïteit der cultuur.

Als het gaat om de verhouding tussen kunsten, kunstenaars en overheden, heeft iedereen zijn smaken, meningen en stokpaarden. Het mijne is, dat welke door ons aangestelde overheidsfunctionaris dan ook, moet doen waarvoor hij is aangesteld. Ik bedoel: geen hoofdcommissarissen met feestneuzen, Kamerleden in pretprogramma's. Niet het in populaire nederigheid buigen voor wat ze denken dat de vrije markt vraagt. Een bukkende elite, bestuurlijk of artistiek, is voor alle partijen gênant.